Krijgsmacht is geen eenheidsworst

Het vorige week gepubliceerde rapport van de commissie-Franssen over het opperbevelhebberschap heeft door de val van het kabinet minder aandacht gekregen dan het verdient. Bij uitvoering van de aanbevelingen zal immers sprake zijn van een fundamentele reorganisatie van de defensietop. Nederland loopt wat dat betreft achter bij de structurele wijzigingen die andere landen hebben doorgevoerd. Dat komt doordat de besluitvorming tussen de krijgsmachtdelen, maar ook tussen de politieke en militaire top, veelal de kenmerken van het poldermodel vertoont. Iedere deelnemer beschikt de facto over een vetorecht. Tussen de politieke en ambtelijke top is bovendien sprake van een situatie van wederzijdse afhankelijkheid.

Een belangrijke aanleiding voor veranderingen in de topstructuur van de krijgsmacht is de toenemende samenwerking tussen de krijgsmachtdelen bij vredesoperaties, zoals de Nederlandse bijdragen aan de operatie Provide Care tijdens de Rwanda-crisis, de operatie Allied Harbour in Albanië tijdens de Kosovo-crisis en de United Nations Mission in Ethiopië and Eritrea (UNMEE). De kostenoverschrijdingen bij UNMEE waren voor minister De Grave van Defensie aanleiding voor het instellen van de commissie-Franssen.

Deze heeft zich in haar aanbevelingen vooral laten inspireren door de structuur van de Britse en Canadese krijgsmacht. Het organisatiemodel dat de commissie voorstaat, kent een scheiding tussen beleid, uitvoering en toezicht op de uitvoering. Hoewel de positie van de chef-defensiestaf versterkt wordt, ziet de commissie terecht af van het instellen van een opperbevelhebber. Voor een klein land als Nederland valt ook weinig `opper te bevelen'. Het is immers uiterst onwaarschijnlijk dat de Nederlandse krijgsmacht ooit nog zelfstandig op stap gaat. De operationele bevoegdheden bij operaties liggen voor ons land bij een multinationaal commando. Het opperbevel komt daardoor te liggen in Brussel, in Washington of Northwood – zeker niet in Den Haag.

De oprichting van een permanent, gezamenlijk operationeel hoofdkwartier die de commissie aanbeveelt, is de logische consequentie van het toenemend gezamenlijk optreden bij vredesoperaties van de krijgsmachtdelen. De bevelhebbers blijven in de optiek van de commissie verantwoordelijk voor de kwaliteit en instandhouding van de bijdragen van hun krijgsmachtdeel. Zij stellen in opdracht van de chef defensiestaf uit te zenden eenheden en capaciteiten ter beschikking van de commandant van het nieuwe permanente hoofdkwartier. Deze laatste stelt op zijn beurt deze eenheden onder bevel van de internationale commandant van de militaire operatie. Een en ander betekent dat de operationele staven bij de bevelhebbers verdwijnen waardoor aanzienlijke personele reducties mogelijk zijn.

Wat echter voorkomen moet worden is dat de Nederlandse krijgsmacht een eenheidsworst wordt. We zouden dan kunnen eindigen met een krijgsmacht die niet flexibel, niet creatief en – nog erger – zelfs in hoge mate voorspelbaar wordt. Een krijgsmachtdeel ontleent zijn identiteit vooral aan zijn operationele taken met bijbehorende vaardigheden en dat moet zo blijven. Bekend is de volgende anekdote van een voormalig voorzitter van de Amerikaanse chefs van staven. Wanneer de krijgsmacht het bevel krijgt `Beveilig het gebouw', gaat de landmacht in de `rondomverdediging'; de mariniers bestormen het gebouw en steken het in brand; de marine gaat in het gebouw zitten, doet de lichten uit, de gordijnen dicht en de deuren op slot; de luchtmacht sluit een huurcontract af voor vijf jaar met een optie op verlenging.

Hoewel hier uiteraard sprake is van een karikatuur, bevat deze anekdote toch een kern van waarheid. De commissie-Franssen onderkent dit wanneer ze opmerkt dat de herkenbaarheid, zichtbaarheid en de eigen cultuur van de krijgsmachtdelen inpasbaar moeten worden in het grotere deel waarvan zij deel uitmaken. Aangezien dit buiten de opdracht van de commissie viel, besteedt het rapport geen aandacht aan het onderwerp waar het uiteindelijk primair bij de krijgsmacht om gaat: de uitgezonden militair in het operatiegebied. Ook hier laat de samenwerking nog veel te wensen over.

Het rapport van de commissie-Franssen zal ongetwijfeld op weerstand vanuit de krijgsmacht kunnen rekenen, alleen al omdat de krijgsmachtdelen naast het afstaan van bevoegdheden ook `reorganisatiemoe' zijn geworden van alle ingrijpende veranderingen sinds het einde van de Koude Oorlog. Maar voor alles moge duidelijk zijn dat de recente ervaringen van Nederland met vredesoperaties veranderingen onontkoombaar maken.

Generaal-majoor der mariniers b.d. Kees Homan is verbonden aan het Instituut Clingendael.