Koele kikker op gepaste afstand

Met lede ogen kijkt Jan Raas naar de voorjaarsklassiekers. De 49-jarige manager van Rabobank ziet weinig oranje shirts vooraan. Morgen krijgen zijn renners een nieuwe kans in de Goldrace. ,,Ik had meer verwacht van sommige jongens.''

Vraag Jan Raas naar de belangrijkste van zijn vijf overwinningen in de Amstel Goldrace en er verschijnt een gemene glimlach op zijn gezicht. De editie van 1977 was een primeur voor de klassiekerkoning. Hij had een maand eerder Milaan-Sanremo gewonnen en verscheen ontspannen aan de start. In de finale bevestigde hij zijn koersinzicht én boerenslimheid, door een wig te drijven tussen twee bekvechtende ploeggenoten.

,,Ik kwam met Hennie Kuiper en Gerrie Knetemann op kop te zitten'', vertelt Raas een kwart eeuw later. ,,Zij woonden hemelsbreed nog geen drie kilometer van elkaar vandaan. Maar ze konden elkaar niet uitstaan. Ze wilden ongelooflijk graag zelf winnen. Ze demarreerden als kippen zonder kop. Ze reden constant veertig kilometer per uur. Heel stom. Als de ene ging, zat de ander hijgend bij mij in het wiel. Ik hoor Peter Post (de ploegleider van Kuiper en Knetemann, red.) nog schelden in de volgwagen. Hij had niet gedacht dat ene Raas in een simpele Frisol-trui met de zege aan de haal zou gaan.''

In de jaren zeventig en tachtig, de glorietijd van het Nederlandse wielrennen, waren de controverses tussen Raas en Post geruchtmakend. Twee eigenzinnige karakters, twee verschillende culturen. Ze konden slecht tegen hun verlies. De Zeeuwse boerenzoon roemt de organisatorische kwaliteiten van de Amsterdamse slagerszoon. Toen Raas van Post een verbeterd contract kreeg aangeboden en zijn eigen knechten mocht uitkiezen, keerde hij gaarne terug in het hol van de leeuw.

,,Niet Post, maar Knetemann en Raas bepaalden wat in de koers gebeurde'', merkt hij fijntjes op. ,,Post wilde ons altijd een beetje laten rijden. Maar `een beetje rijden' bestaat niet. Je rijdt of je rijdt niet. Door ons een beetje te laten rijden, kon hij altijd de schuld op een ander afschuiven. Post was een goede baanrenner. Maar op koersinzicht heb ik hem nooit kunnen betrappen.''

Na vier glorieuze jaren de ploeg TI Raleigh voerde een waar schrikbewind in het peloton werd een tweede breuk volgens Raas onvermijdelijk. ,,Post pronkte in 1982 met een nieuwe sponsor, zonder ons daarbij te betrekken. Dat deed pijn. Hij vergat zijn renners dankbaar te zijn. Anders waren wij nooit met z'n allen weggegaan. We gingen voor Kwantum rijden. Vergeleken met Panasonic een ploeg voor potten en pannen, zei Post.''

Raas ontvangt ons in zijn tot kantoor verbouwde garage. Hij woont in 's Heerenhoek, een katholieke enclave in de Zak van Zuid-Beveland. Hij trekt parallellen tussen heden en verleden. De manager van Rabobank zag van grote afstand hij bekijkt de meeste koersen op de televisie hoe kopman Michael Boogerd en de ploegleiders Theo de Rooy en Adri van Houwelingen soms met elkaar bakkeleiden. In de Goldrace van vorig jaar negeerde Erik Dekker een advies uit de volgwagen door een sprint aan te gaan met de Amerikaanse favoriet Lance Armstrong.

,,De Rooy en Boogerd zijn allebei nerveuze types'', weet de koele kikker Raas. ,,Dus botsen ze nog wel eens. Maar we hebben geen seconde gesproken over een nieuwe ploegleider. Het gaat de laatste zes jaar namelijk niet zo slecht, wat er ook allemaal geschreven wordt. Nu ze even niet winnen, hoeven we niet meteen alles op de schop te gooien. In 2000 hadden we ook een minder voorjaar en stelden journalisten dezelfde vragen.''

Raas noemt Dekker ,,een lekker eigenwijs joch dat zijn nervositeit weet om te zetten in iets positiefs''. Raas had niet verwacht dat de eeuwige meesterknecht de rol van kopman zou passen. ,,Hij heeft twee jaar geleden opeens het licht gezien. Hij had iets extra's, maar het kwam er niet uit. Hij heeft net als Boogerd veel zwarte sneeuw gezien. Beide jongens zijn goud waard. Twee ideale schoonzoons, wat wil ik nog meer? En dan te weten dat ik helemaal geen dochters heb.''

Tot de doorbraak van Dekker was Boogerd het enige Nederlandse reclamebord van de sponsor. Nu de Drent van een gebroken dijbeen revalideert, mist de Hagenaar opnieuw een bliksemafleider, met alle nervositeit vandien. Bij afwezigheid van Dekker kan Boogerd de voorjaarsklassiekers niet naar zijn hand zetten. In de Waalse Pijl en Luik-Bastenaken-Luik uitte hij vorige week forse kritiek op ploegleiders en ploeggenoten.

,,Ik heb mijn maats nooit de schuld gegeven'', antwoordt Raas desgevraagd. ,,Maar goed, Boogerd heeft zijn excuses aangeboden, zand erover. Hij voelt zich vaak Remi uit het boek `Alleen op de Wereld'. Terwijl hijzelf zijn grootste tegenstander is. Hij vliegt er als een dolle in. Hij is een renner naar mijn hart. Alleen vergeet hij zijn verstand te gebruiken. Hij moet zijn goeie benen verdonkeremanen. Door al dat gesodemieter verspeelt hij ongelooflijk veel energie.''

De manager ligt niet wakker van de tegenvallende prestaties. Hij vergelijkt de huidige situatie met het voorjaar van 2000, toen zijn renners ook teleurstelden. Totdat Dekker zijn drieluik in de Tour schilderde. Volgens Raas is de vorm van de dag een lastig te voorspellen verschijnsel. Hij ziet aan kleine dingen wie vooruitgang boekt. Maar winnen op bestelling is er niet meer bij. In zijn actieve periode werd de koers bepaald door nog geen tien kopmannen. Tegenwoordig maakt het halve peloton aanspraak op het erepodium.

,,We hebben te maken met veel blessures en een jonge garde die nog niet aan de verwachtingen voldoet'', verklaart Raas de mindere prestaties. ,,Sommige journalisten schrijven meteen over wanbeleid. Een beetje voorbarig. Ik had jongens als Matthé Pronk en Karsten Kroon inderdaad rijper verwacht, maar we hoeven nog niet te panikeren. We willen geen onrust in de tent. We treden alleen op, als de jongens niet voor honderd procent voor hun sport leven. Dat is dus niet het geval.''

Raas bestrijdt de veelgehoorde klacht dat de jeugd bij Rabobank in de watten wordt gelegd en daarom niet geschikt is voor het harde wielermilieu. ,,De mensen die dat schrijven, moeten een maandje meelopen met een Duitse, Franse, Spaanse of Italiaanse ploeg. Daar is nog veel meer luxe. In Italië heb je amateurploegen waar geen renner werkt of studeert. Ze zijn met z'n allen in dienst van de politie of de brandweer. Pure staatsamateurs. Onze jongens slapen nog in jeugdherbergen. Wij hebben altijd gehamerd op de studie. Als ze met de fiets niet slagen, kunnen ze zo de maatschappij in. Ze worden een completer mens, maar ik weet niet of ze altijd een betere renner worden.''

Afgelopen winter koos de sponsor voor een nieuw wielerplan. De eigen jeugdopleiding gaat in afgeslankte vorm verder onder auspiciën van de nationale wielerbond. Met de Amerikaanse ronderenner Levi Leipheimer, die vorig jaar derde werd in de Vuelta, gokt men op een podiumplaats in de Tour. Hoe zit het met de mooie praatjes van Raas, die zijn wielerhart aan de jeugd had verpand?

,,Ik moet eerlijk bekennen dat ik het doodzonde vind'', luidt zijn eerste reactie. ,,Maar wij laten die jongens niet vallen'', verdedigt hij vervolgens de koerswijziging. ,,Onder de paraplu van de KNWU krijgen veertig of vijftig junioren een bredere begeleiding. Wij hadden per seizoen plaats voor twaalf talentjes. De doorstroming was niet groot, al dachten ze daar in het buitenland anders over. Daar zijn tien tot vijftien ploegen ons aan het kopiëren. Daar vissen ze ook in een grotere vijver. Wij hebben vijfhonderd junioren. Italië heeft er achtduizend. Tel uit je winst.''

We discussiëren over de uitblinkende dertigers in het peloton. De wereldbekerwedstrijden werden gedomineerd door ervaren renners als Andrea Tafi, Johan Museeuw en Mario Cipollini. De wielerjeugd ontbeert nog rust en routine. ,,Door de hogere beloning is het plezier groter en dus blijven de renners langer op de fiets zitten'', weet Raas. ,,Het is een goeie zaak dat de renners nu meer verdienen. Zeker als ze goed presteren. Ik heb ook niet zoveel moeite met het gigantische bedrag dat Ruud van Nistelrooy bij Manchester United verdient. Hij vermaakt om de week 70.000 mensen.''

In de tijd van Raas waren de late twintigers spekkoper op hun best. Zelf moest hij wegens rugklachten op zijn 32ste stoppen met fietsen. Hij is onlangs aarzelend op een toerfiets gestapt. Een terugkerend buikje hij is na vijftien jaar acuut gestopt met roken verhindert hoge snelheden. Met Belgische kennissen rijdt hij soms een rondje Walcheren, zoals hij in zijn actieve periode met zijn meesterknecht en streekgenoot Cees Priem pleegde te doen. Raas beschouwde het wielrennen als broodnodig. Toch stond hij te boek als trainingsbeest. Met die kenmerkende grijns verhaalt hij over de tijd van toen.

,,Ik trainde ongelooflijk hard, maar nooit zo lang als die Brabantse jongens. Geen acht uur per dag, hooguit vier uur. 's Avonds was ik kapot. Ik trainde nooit 260 kilometer, ook al was de koers nog zo lang. De Brabanders in de ploeg, zoals Frits Pirard en Johan van der Velde, zouden wel een keertje bij ons in Zeeland komen trainen. Wij hebben ze toen stuk voor stuk naar de kloten gefietst. Ze zijn nooit meer in Zeeland geweest. Zij trainden lekker beschut in de bossen. Wij reden in weer en wind. Wij deden al aan intervaltraining. Goed beschouwd waren wij onze tijd vooruit.''

Praten over vroeger is ook vragen naar een zwarte bladzijde in zijn leven. In het voorjaar van 1994 werd de familie Raas opgeschrikt door een paar inbrekers. Toen de heer des huizes de kamer binnentrad, zag hij zijn vrouw Anja met een pistool tegen het hoofd gedrukt staan. Zijn zoons werden tegelijkertijd gegijzeld. Acht jaar later is de pijn nog altijd voelbaar. Een alarminstallatie waakt onder aan de dijk over het vrijstaande huis.

,,Als jullie hier 's avonds voor de deur komen aanlopen, springen er allemaal lampen op je flikker. De deur stond hier altijd open. Nu gaat bij schemering alles op slot. Ik denk er elke avond aan. Ik ben er nooit helemaal overheen gekomen. Die gasten waren al weer vrij toen ik hier voor 20.000 gulden een alarm aanlegde. Wie moest dat betalen? Raas toch zeker.''

Twee maanden na het voorval moest hij met het vliegtuig naar Barcelona. Hij viel in slaap en begon te dromen. ,,Tot ik in mijn slaap een hengst tegen de hoofdsteun van de passagier voor mij gaf. Hij kreeg die stoel in zijn nek en maakte een stampei van jewelste. Allemaal stewards erbij. Ik heb drie keer `sorry' gezegd en verteld dat ik vrij recent een nare ervaring in mijn privéleven had gemaakt. Die vent had pijn in zijn hersens, ongelooflijk.''