Het land van de levende doden

Deze maand verscheen de Japanse vertaling van het boek dat Helen Colijn (81) schreef over de driëenhalf jaar dat ze gevangen zat in een Japans vrouwenkamp. Hoe haat in de loop der jaren kan smelten.

Het is 27 december 1943. In het Japanse vrouwenkamp Palembang op Sumatra verzamelt zich op de binnenplaats een menigte vrouwen en kinderen. Deze avond geeft het stemmenorkest haar eerste concert. Dertig Britse, Australische en Nederlandse gevangenen zullen vierstemmig grote werken uit het klassieke repertoire vertolken. Maandenlang hebben ze in de houtschuur achter de kampkeuken geoefend op het Menuet in G van Beethoven, het Largo uit De Nieuwe Wereld van Dvorak, en het Andante Cantabile uit Tsjaikovski's strijkkwartet.

Helen Colijn, drieënhalfjaar gevangene in Japanse kampen, is een van de toehoorders. Over die bewuste avond schrijft ze in haar boek De kracht van een lied: ,,Heel zacht, als door een mist, zweefde de eerste maten van Dvorak's Largo door het kamp. De muziek nam toe in sterkte. Een van de alten zette een solo in. (...) De muziek zwol aan tot haar eerste juichende crescendo. Ik kreeg er kippenvel van, ik had nog nooit zoiets moois gehoord. Het was geen vrouwenkoor dat liederen zong. Het was ook geen orkest, hoewel ik de violen kon horen en een hobo. Het was muziek die uit de hemel kwam, een wonder door God gegeven in dit gruwelijke kamp.''

Bij het verschijnen van de eerste editie in 1989 roemde toenmalig minister van WVC Elco Brinkman De kracht van een lied omdat het boek inzichtelijk maakt hoe cultuur in tijden van onderdrukking kan dienen als een geestelijk wapen. Ex-concentratiekampgevange Primo Levi schreef daarover in De verdronkenen en de geredden: ,,Cultuur kon helpen, niet dikwijls, niet altijd, niet overal, niet iedereen, maar een enkele keer, zeldzaam en kostbaar als een edelsteen hielp het en voelde je je als het ware zweven.''

Voor Helen Colijn was het stemmenorkest zo'n edelsteen. Colijn nu: ,,Het was ongelooflijk. We waren ziek, zwak en hongerig. Maar het luisteren naar die muziek, temidden van ratten en kakkerlakken en omgeven door de stank van de latrines, was als een warm bad.''

Zonder Helen Colijn was het stemmenorkest in de vergetelheid geraakt. Was er geen boek, geen plaatopname, geen documentaire, geen muziek en geen Hollywoodfilm geweest. Colijn is de chroniqueur van het vocale orkest. En haar stem reikt ver. Sinds deze maand zelfs tot in Japan. De Japanse Yumi Nishimura stuitte in 1998 op het boek van Helen Colijn en werd er zo door gegrepen dat ze het besloot te vertalen. Als lerares Nederlands in Japan vond ze het een belangrijk document voor haar studenten. ,,Ik wilde hen niet alleen vertellen over de positieve aspecten van de historische relatie tussen Japan en Nederland maar ook over de negatieve aspecten.'' Ze vond daarvoor het boek van Helen Colijn het middel bij uitstek. Oók omdat ze van het boek heeft geleerd hoe we ,,moedig, trots en intelligent kunnen zijn, waar we ons ook bevinden''.

Op donderdag vier april overhandigde Helen Colijn het eerste exemplaar van de Japanse vertaling van De kracht van een lied aan de Japanse ambassadeur Togo. In zijn speech sloot de ambassadeur zich met verstikte stem aan bij een uitspraak van zijn eerste minister Obuchi tegenover premier Kok in februari 2000. Tijdens die ontmoeting gaf Obuchi blijk van zijn gevoelens van diepe wroeging tegenover de Nederlandse oorlogsslachtoffers. Helen Colijn: ,,Ik had niet verwacht dat ooit nog een hooggeplaatste Japanse ambtsdrager mijn verhaal in ontvangst zou willen nemen en daarbij ook nog excuses zou aanbieden.''

Vakantie

In 1942 brengt Helen Colijn, eenentwintig jaar oud, na haar eindexamen de vakantie door bij haar ouders in Nederlands-Indië. Een meisje uit een gegoed milieu. Kleindochter van Hendrik Colijn, ARP-voorman en vijfvoudig premier. Tijdens haar verblijf vallen de Japanners Nederlands-Indië binnen. Colijns beide ouders worden gevangen genomen maar haar vader weet te ontsnappen en zich bij zijn drie dochters, Helen, Antoinette (twintig jaar) en Alette (zestien) te voegen. Gevieren weten ze een plaats te bemachtigen op de Poelau Bras, een boot waarmee ze de overtocht naar Australië hopen te maken. Vergeefse hoop want het schip wordt gebombardeerd door Japanse vliegtuigen. Een aantal opvarenden vindt de dood in het spervuur, anderen verbranden, weer anderen verdrinken. Colijn: ,,Bang waren we niet. Het was gruwelijk maar we dachten in hoofdzaak aan ons eigen lot.''

Helen komt samen met haar vader en nog drieëntwintig mannen in een van de drie bruikbare sloepen terecht. Een week lang zwalken ze op de Indische Oceaan, om uiteindelijk de kust van Sumatra te bereiken. Daar worden ze herenigd met Antoinette en Alette. Twee weken lang trekken ze over het strand, door de jungle, van kampong naar kampong in de hoop een prauw te bemachtigen om daarmee alsnog de oversteek te maken. Tevergeefs. Wanneer ze uitrusten op een veranda in een klein dorp komen er vier mannen met petjes met een klep aan de voorkant aangefietst. Japanners. De vluchtplannen zijn mislukt. Het kamp wacht.

De overgang van het luxe koloniale bestaan naar het schamele kampleven is groot, al zijn de condities in het eerste kamp nog redelijk. Zestien huizen voor vierhonderd vrouwen en kinderen. Met in de huizen gevonden boeken richt Helen Colijn een bibliotheekje in, geïnterneerde zusters geven les aan kinderen, er is een kampkrant, de vrouwen koken in kleine groepjes, kongsi's, en er wordt gezongen. 's Avonds klinkt het ene lied na het andere. Nederlands repertoire van Piet-Hein tot De blanke top der duinen, Engels repertoire, religieuze muziek. Steeds weet iemand uit haar herinnering wel weer een ander lied op te diepen. Er wordt een koor samengesteld en Margaret Dryburgh, een eenenvijftigjarige Britse zendelinge schrijft `Captives Hymn', een lied over vergevingsgezindheid en naastenliefde dat zal uitgroeien tot hét kamplied.

Na anderhalf jaar lijkt het collectieve muzikale geheugen uitgeput. Dan komen Margaret Dryburgh en Norah Chambers (een Engelse met drie jaar viool- en pianostudie achter de rug) op het idee om een stemmenorkest te formeren. Een vocaal ensemble dat orkestrale werken uit het klassieke repertoire zal vertolken waarbij de stemmen als instrumenten fungeren. Gezamenlijk zetten zij stukken als de Boléro van Ravel en het Largo van Dvorak om in vier melodische hoofdlijnen die gezongen kunnen worden door respectievelijk de eerste en tweede sopranen en de eerste en tweede alten. Dankzij haar fenomenale muzikale geheugen herinnert Dryburgh zich schijnbaar moeiteloos de harmonieën en melodieën van meer dan tweeduizend orkestrale werken en piano-werken.

Beri beri

In augustus 1943 vindt de verhuizing plaats van het huizenkamp naar het barakkenkamp. De nieuwe verblijfplaats heeft de grootte van een voetbalveld en moet onderdak bieden aan zeshonderd vrouwen en kinderen. Het schouder aan schouder leven, eten en slapen is begonnen. Beri beri, malaria en ondervoeding maken hun eerste slachtoffers. De activiteiten uit het huizenkamp sterven een zachte dood, alleen het zingen vindt doorgang. Maandenlang repeteert het koor in het geheim in de houtschuur achter de Nederlandse keuken. Norah Chambers, de dirigente, zegt daarover in de documentaire Song of Survival: ,,Ze werkten hard. Hun fysieke conditie in aanmerking genomen begrijp ik niet hoe ze in staat waren te zingen wat wij hen vroegen te zingen. Ik was trots.''

Dan, op 27 december, is het zover. Een concert. Voor de kampbevolking. Colijn: ,,In het zand stond het woord orchestra geschreven. Ik dacht: wat een onzin. Vroeg me af of iemand leuk probeerde te zijn. Wie verzint er zoiets als je geen muziekinstrumenten hebt?''

Alle scepsis ten spijt verzamelen de kampgevangen zich op het binnenplein. Het koor, dertig vrouwen sterk, stelt zich op. De partituur, uitgeschreven op kleine stukjes papier, in de hand. De dirigente Norah Chambers geeft het beginsignaal. Een verstoorde bewaker met bajonet staat op het punt om ruw in te grijpen maar, zoals Norah later zal zeggen: ,,Ik nam geen notitie van hem. Het beste was om door te gaan en dat deed ik. Ik hief mijn hand op en begon.'' Dvorak's Largo klinkt over de binnenplaats. Er wordt gehuild. De Japanse bewaker raakt zo geïntrigeerd door de muziek dat hij zijn bajonet neerlegt en blijft luisteren. Colijn in De kracht van een lied: ,,Was hij bekend met westerse muziek, en had onze muziek herinneringen bij hem opgeroepen net zoals die dat bij mij gedaan had? Of had hij nooit westerse muziek gehoord en was het juist het onbekende geweest dat hem geboeid had en hem deed ophouden met zijn geschreeuw?''

Er volgen meer concerten. Was het eerste optreden op een haar na verstoord door de geïrriteerde bewaker, bij de volgende concerten zitten de goed doorvoede Japanse officieren met hun witte handschoenen en glanzend gepoetste laarzen op de eerste rij, kijkend naar en omgeven door vermagerde vrouwen in opgelapte kleren. Steeds opnieuw ontroert de muziek zangeressen en luisteraars. Een uitspraak van een van de koorleden in Song of survival: ,,Je zong en het was als een gebed. Prachtig.'' Colijn: ,,De muziek werd steeds belangrijker. Was niet alleen een bron van vreugde maar ook een aansporing om te overleven, om op een dag terug te kunnen keren naar het bestaan waaraan de muziek herinneringen opriep.''

In september '44 vindt er opnieuw een verhuizing plaats. Vrouwen en kinderen worden verscheept naar Muntok op Bangka. De situatie verslechtert, de dood wordt gulziger. Het koor slinkt behoorlijk in omvang door ziekte en sterfgevallen. Met een kleine groep verzorgt het stemmenorkest in december '44 haar finale optreden. Tussen '43 en '44 heeft het ensemble dan ruim dertig orkestrale werken uitgevoerd.

In april '45 volgt een laatste transport van de vrouwen en kinderen naar een rubberonderneming diep in de binnenlanden. Colijn: ,,In die periode zweefde ik in een soort niemandsland tussen leven en dood.'' Ze schrijft: ,,We waren wandelende geraamten in een land van levende doden.''

Op vierentwintig augustus '45 kondigt een Japanse officier het langverbeide einde van de strijd aan: Parang Habis – de oorlog is voorbij. De zusjes Colijn vertrekken naar Singapore waar ze herenigd worden met hun moeder. Vader Colijn is een half jaar eerder gestorven. In overleg besluiten ze een toekomst op te bouwen in een nieuw vaderland. Amerika. Helen Colijn wordt secretaresse op het Zwitserse consulaat, trouwt, krijgt een dochter. Over de oorlog praat ze niet. Doorleven is het devies. Dochter Madelyn van Rijckevorsel: ,,Het kamp was geen gespreksonderwerp thuis. Wel liet ze me als kind de eerste versie van haar boek lezen maar daarna werd er niet meer over gesproken.''

Partituren

Uiteindelijk is het opnieuw de kampmuziek die Helen Colijn helpt het verleden bespreekbaar te maken. In 1980 geeft Helens zus Antoinette de originele partituren, die ze al die jaren bewaard heeft, aan het archief van de universiteit van Stanford. De muzikale interesse van de archivaris wordt geprikkeld door de handgeschreven bladen.

Het plaatselijk koor wordt ingeschakeld om de vocale bewerkingen te vertolken. Na veertig jaar klinken de klanken van het stemmenorkest weer. Het koor geeft een aantal concerten waarbij Helen Colijn een inleiding houdt. Voor het eerst praat ze uitgebreid over haar kampverleden. ,,Op dat moment lukte het me. Omdat ik iets kon zeggen over het mooie dat uit de ellende was voortgekomen.'' Een van de toehoorders bij de concerten maakt na afloop de opmerking: ,,De hele wereld zou deze muziek moeten horen.'' Het idee voor een televisiedocumentaire is geboren. Drieëenhalf jaar later beleeft Song of Survival, een Amerikaans-Nederlandse co-productie, haar première.

Ondertussen hebben de partituren hun weg gevonden naar Nederland. Een lid van het Haarlems vrouwenkoor Malle Babbe heeft van het bestaan van de vocale werken gehoord, en Leny van Schaik, dirigente, stuit per toeval op de bladmuziek. De eerste keer dat het koor de liederen zingt herinnert ze zich als de dag van gisteren. ,,Het is niet te beschrijven wat een diepe emoties die muziek teweeg brengt. Niet alleen bij ex-kampgevangen. Veel mensen hebben een persoonlijk kampje. De muziek is een confrontatie met die innerlijke gevangenschap. De vertolking daarvan werkt als een emotionele bom.''

Hoewel diverse koren de liederen op de plaat hebben gezet wordt de CD-uitvoering door Malle Babbe uitverkozen als soundtrack voor Paradise road, een Hollywoodfilm, gebaseerd op het boek van Helen Colijn. De regisseur Bruce Beresford vraagt Leny van Schaik als musical director om de actrices ,,het gevoel van die muziek in hun donder te geven'' en om Glenn Close, die de rol van Norah Chambers vertolkt, te leren dirigeren.

Leny van Schaik: ,,Soms schalde de muziek uit de luidsprekers over de set en zag je camerajongens die nooit van Beethoven of Bach hadden gehoord jankend weglopen.'' Ook haar grijpt de muziek nog steeds aan. ,,Iedere keer als ik dirigeer voel ik de muziek in mijn sodemieter. Ze raakt aan het wezen van het bestaan. Gaat over gevangenschap en bevrijding.''

In '98 maakt Helen Colijn samen met haar dochter Madelyn een rondreis door Japan. Een verzoeningsreis. ,,Begin jaren tachtig heb ik voor het eerst de hand geschud van een Japanner. Ik zag er erg tegen op. Maar het geven van een hand aan een Japanner bleek niet zo anders dan het geven van een hand aan een Nederlander of een Amerikaan. Het hielp overigens wel dat de man mooi was. Langzaam kreeg ik meer contacten en dat verzachtte de haat.''

Ze begint een correspondentie met de kamparts. ,,We wilden in de documentaire ook de stem laten horen van een van de bewakers. Uiteindelijk vonden we de kamparts bereid mee te werken. In de oorlog nog een jong doktertje van eenentwintig die zich niet had bezondigd aan wandaden, niemand had onthoofd. Ik heb hem tijdens mijn Japanreis ontmoet. Hij vertelde dat hij vijf jaar in krijgsgevangenschap had gezeten, betuigde me zijn spijt en daar hebben we het bij gelaten.''

De laatste resten haat smelten in het land van de rijzende zon. In het voorwoord van de Japanse vertaling schrijft Helen Colijn: ,,Mijn grootste wens is dat Japanse meisje en vrouwen deze muziek gaan zingen.'' Die wens zal op negen november in vervulling gaan. Als haar gezondheid het toelaat zal Helen Colijn erbij zijn. Anders dan zestig jaar geleden als eregaste op de eerste rij. Opnieuw als zestig jaar geleden omgeven door Japanners. Colijn: ,,Bizar en bijzonder. Het bewijst dat je nooit kunt voorspellen hoe het loopt in het leven.''

Helen Colijn `De kracht van een lied', Uitgeverij van Wijnen, Franeker

`Song of survival': Vrouwenkoor Malle Babbe.

`Paradise Road soundtrack': Vrouwenkoor Malle Babbe