Geplaagde talen

In het onderzoek naar bedreigde talen spelen vele wetenschappelijke meningsverschillen. Want hoe abstract mag taaltheorie worden en hoeveel mag je de informanten betalen? Over achterdocht en taalethiek.

Hoeveel talen zijn er nog? De recentste schattingen spreken van ongeveer zesduizend. De Ethnologue, een lijst die wordt bijgehouden door het Summer Institute van Linguistics (SIC), komt zelfs nog op 6.700. Omdat de meeste van deze talen door een paar duizend, een paar honderd of soms slechts enige tientallen mensen worden gebruikt, zal het grootste deel ervan in de loop van deze eeuw verdwijnen. In 2100 zullen er nog maar zeshonderd talen over zijn.

Dat was althans de verwachting die Eskimotalenspecialist Michael Krauss tien jaar geleden uitsprak, op basis van wat er toen bekend was over taalverschuiving, taalverlies en language death. Tegenwoordig zijn de schattingen weer wat optimistischer. Want tegelijk met de toenemende dominantie van de nationale talen en een handjevol wereldtalen, is er onder de sprekers van kleine talen sprake van een zekere herwaardering. Het onderzoek naar deze talen, dat decennia lang in de schaduw stond van het theoretische taalonderzoek, lijkt nu ook een opleving door te maken. De Duitse Volkswagen Stiftung heeft zojuist 3 miljoen euro beschikbaar gesteld voor het audio-visueel documenteren van een groot aantal talen, en NWO start dit jaar het onderzoeksprogramma `Bedreigde Talen', dat goed is voor 2,3 miljoen euro. In de Verenigde Staten, Japan en Australië lopen vergelijkbare onderzoeksprogramma's.

Het lijkt zo mooi: taalwetenschappers die, overal in de wereld, de handen ineenslaan om het linguïstisch erfgoed in kaart te brengen. Maar de praktijk is anders. De taalwetenschap is al dertig jaar hopeloos verdeeld. De beschrijvende taalkundigen, die het veldwerk doen, en de theoretische taalkundigen, die meer van achter het bureau opereren, bekijken elkaar met veel wantrouwen. Ook in de NWO-commissie Bedreigde Talen, waarin beide scholen vertegenwoordigd waren, liepen de discussies soms hoog op. Himalaya-specialist George van Driem, afkomstig uit de beschrijvende traditie, stapte zelfs boos uit de commissie. Hij ergerde zich aan de eisen die door andere commissieleden gesteld werden aan het taaltheoretisch belang van het onderzoek. Daarnaast vond hij hun pleidooi voor een ethische benadering veel te modieus en opportunistisch.

Taalwetenschappers zouden natuurlijk het liefst beschikken over zesduizend grammatica's, zodat zij op basis daarvan de algemene principes van de menselijke taal, de zogeheten `universalia', kunnen achterhalen. Maar tot nu toe zijn er niet meer dan een paar honderd talen echt goed beschreven. Van de overige talen bestaat vaak niet meer dan een klein woordenlijstje. Sommige theoretici vragen zich af of het voor de algemene taaltheorie wel nodig is om al die zesduizend grammatica's in ogenschouw te nemen.

In de praktijk kijkt men naar tien à twintig goed beschreven talen. Noam Chomsky, de meest invloedrijke theoreticus van de afgelopen dertig jaar, zou zelfs gezegd hebben dat één taal, bijvoorbeeld het Engels, voldoende is om de belangrijkste taalprincipes te achterhalen. De beschrijvende taalonderzoekers denken daar heel anders over. Zij zijn ervan overtuigd dat iedere taal iets toevoegt aan wat we over taal denken te weten.

``We moeten telkens weer ons beeld van hoe talen eruit zien bijstellen'', zegt Pieter Muysken, die de NWO-commissie voorzat en gespecialiseerd is in de talen van Bolivia en het Caribisch gebied. ``Neem het begrip naamwoordklasse. In het Nederlands verdelen we de naamwoorden in de- en het-woorden, maar in Zuid-Amerika komen we systemen tegen die veel ingewikkelder zijn. Er zijn bijvoorbeeld talen die op vorm categoriseren: rond, langwerpig, vloeibaar, gesplitst, etcetera. De manier waarop naar dingen wordt verwezen, is in die talen ook anders. Als je zegt Ik pak de kano en trek hem uit het water, dan zie je dat wij in het Nederlands twee manieren hebben om naar die kano te verwijzen: met het zelfstandig naamwoord kano en met een voornaamwoord als hem. Veel talen van Zuid-Amerika hanteren een ander systeem: ze gebruiken een klasse-markeerder, een lettergreepje dat deel uitmaakt van de morfologie van het werkwoord. De verwijzing zit dus in het werkwoord verpakt. En voor iedere naamwoordklasse hebben ze een andere klasse-markeerder. Nu heeft Chomsky over de verwijzing met kano en hem een theorie geformuleerd. Maar we zien dat deze talen zo niet werken. Dus moeten we op zoek naar een abstractere theorie, die ook deze vormen van verwijzing kan verklaren.''

heel irritant

George van Driem heeft een enorme afkeer van taaltheorieën à la Chomsky . ``Ik geloof ook in universalia'', zegt hij. ``Maar de meeste universalia zijn tamelijk triviaal, ze zijn al ontdekt in de achttiende en negentiende eeuw. Ik vind die nadruk op zogenaamde abstracte universalia heel irritant. In de praktijk betekent dat gewoon dat je mee zou moeten doen met de laatste modieuze theorie die door Chomsky vanuit de Verenigde Staten verspreid wordt. Nou, daar heb ik helemaal geen trek in. De modellen van Chomsky zijn denkconstructen, die geen enkele empirische basis hebben.''

De afgelopen decennia zijn de theoretische en de beschrijvende taalkunde steeds verder uit elkaar gegroeid. In Leiden is zelfs sprake van twee kampen die lijnrecht tegenover elkaar staan. De Leidse universiteit heeft een lange traditie van onderzoek naar kleine, niet-westerse talen, maar herbergt ook een belangrijke theoretische studierichting, die sterk wordt gedomineerd door de ideeën van Chomsky.

Recente pogingen van het Leidse faculteitsbestuur om beide stromingen tot samenwerking te dwingen, zijn jammerlijk mislukt. Pieter Muysken, een van de weinigen die beschrijving en theorie met elkaar combineren, werd drie jaar geleden als hoogleraar naar Leiden gehaald. Hij moest proberen beide richtingen dichter bij elkaar te brengen. Maar Muysken hield het na twee jaar voor gezien en vertrok naar Nijmegen. Hij had het gevoel dat beide kampen hem als een tegenstander zagen.

Brazilië-specialist Leo Wetzels, die ook in de NWO-commissie van de partij was, hield zich jarenlang bezig met taaltheorie, voordat hij zich, in 1990, opeens ging interesseren voor de talen van de Amazone. Sindsdien probeert hij theorie en beschrijvend onderzoek met elkaar te combineren. ``Ik heb ontzettend veel aan mijn theoretische achtergrond'', zegt hij. ``Het is een abstracte manier van kijken naar je object. In mijn geval, ik ben fonoloog, van kijken naar de klankstructuur van een taal. Als je bijvoorbeeld naar toontalen kijkt, die veel voorkomen in het Amazonegebied, dan is het heel handig om een theorie te hebben over hoe toonsystemen in elkaar zitten. Er zijn beschrijvende taalkundigen die zeggen: ach, je moet gewoon opschrijven wat je hoort. Maar dat is echt flauwekul. Sommige klankverschillen zijn functioneel, en andere niet, dat onderscheid moet je maken. En dat kan alleen als je abstraheert. Bepaalde dingen `lijken' zo te zijn, maar als je `daaronder' kijkt, zie je dat het anders in elkaar steekt.''

Wetzels heeft de indruk dat veel beschrijvende taalkundigen zich afzetten tegen bepaalde theoretische ontwikkelingen, zonder dat ze zich daar ooit goed in verdiept hebben. ``Daar hebben ze misschien ook geen tijd voor. Het is ook ongelofelijk tijdrovend. Maar het loont. Iedere keer als ik me in een nieuwe theorie verdiep, me ertoe zet om die inspanning te doen, om me al die nieuwe formalismen eigen te maken, merk ik dat ik daarna weer iets beter begrijp hoe die klankstructuur in elkaar zit. En vooral ook: waarom het zo is. Zelfs als de beschrijving van een taal op het eerste gezicht simpel is, vind ik het voor een wetenschapper belangrijk dat hij de complexiteit van die eenvoud doorziet. Dat hij zich afvraagt: waarom is die structuur zo simpel? Waarom zitten de klinkers `ie', `oe' en `aa' in bijna alle talen? Als iemand dan tegen mij zegt dat dat tijdverlies is, dan begrijp ik werkelijk niet wat hem boeit in taal.''

Een ander heikel punt is de ethiek van het taalonderzoek. Onder taalwetenschappers is de afgelopen decennia het besef gegroeid dat de taalgemeenschappen zelf ook profijt moeten hebben van het onderzoek dat naar hun talen wordt gedaan. En die gemeenschappen zijn zelf ook veel mondiger geworden, met name in Noord- en Zuid-Amerika. Zij eisen erkenning van hun talen en onderwijsprogramma's. In de Verenigde Staten lopen inmiddels allerlei revitaliseringsprojecten, waarin jonge indianen de bijna uitgestorven taal van hun grootouders proberen te leren. De Salish, in British Colombia, hebben onlangs bij een Leidse taalonderzoekster aangeklopt met de vraag of zij bij hen ook zo'n revitaliseringsproject op zou kunnen zetten. Gemakkelijk zal dat niet zijn, want er is welgeteld één persoon die de taal nog machtig is.

dominante taal

Een andere Leidse onderzoeker vroeg de Mopan-Maya (in Belize) naar hun linguïstische wensen. De indiaanse leiders zeiden dat ze het belangrijk vonden dat hun taal werd vastgelegd, maar vooral ook dat de Spaanse leenwoorden uit de taal werden verwijderd. ``Voor een taalkundige is dat een beetje vreemd'', zegt Zuid-Amerika-specialist Willem Adelaar. ``Want die leenwoorden horen er gewoon bij. Maar ja, ze komen uit een dominante taal waar men slechte ervaringen mee heeft: het Spaans. In Colombia komt het zelfs voor dat traditionele leiders de mensen domweg verbieden om nog langer Spaans te spreken. En in Oost-Ecuador heb je een heel hechte groep van 20 duizend indianen, de Shuar, die met z'n allen besloten hebben dat ze de taal aan hun kinderen willen doorgeven. Ze zijn daar heel radicaal in. Ze verzinnen bijvoorbeeld nieuwe woorden voor dingen die geen deel uitmaken van hun eigen cultuur.''

Volgens Leo Wetzels hoeven het belang van de gemeenschap en het wetenschappelijk belang elkaar niet te bijten. ``Integendeel, ze kunnen elkaar versterken. Ik heb juist een subsidie-aanvraag ingediend bij de Shell Foundation, om een aantal Pano-indianen op te leiden tot taalkundige. De Pano-indianen spreken nog steeds hun eigen taal, terwijl ze toch ook tamelijk geïntegreerd zijn. Een aantal van hen heeft een vrij hoog opleidingsniveau. Het zijn native speakers, ze hoeven de taal niet meer te leren, het enige wat je ze moet bijbrengen is: technieken om over taal te reflecteren.''

veel achterdocht

Maar in de ogen van George van Driem is de huidige nadruk op onderzoeksethiek – net als de taaltheorie van Chomsky – een oppervlakkige mode die uit de Verenigde Staten is komen overwaaien. ``Vaak worden die ethische principes alleen maar met de mond beleden, om de subsidiegever gunstig te stemmen. De ethische eisen en protocollen zijn heel populair in landen als Australië en Amerika, waar de oorspronkelijke bevolkingsgroepen voor een groot deel zijn uitgemoord. Je hebt het dus over zwaar getraumatiseerde groepen. Taalkundigen worden door hen met veel achterdocht bekeken. Met name in de Verenigde Staten heeft dat ertoe geleid dat dit onderzoek in toenemende mate in een ethisch-juridisch keurslijf wordt gedwongen: de taal is het intellectueel eigendom van de gemeenschap. De onderzoeker tekent daar een contract met de informant en de informant zegt vervolgens: ik accepteer cheque of creditcard. Hij drukt op de prikklok en dan mag de onderzoeker zijn vragen stellen.''

Als Van Driem deze Angelsaksische benadering in Azië zou invoeren, zou dat de verhoudingen daar ongelofelijk verpesten, denkt hij. ``In het onderzoek dat wij in de Himalaya doen, is de relatie met de informanten veel persoonlijker. We bouwen een intieme relatie op met onze informanten. Daarbij is het vanzelfsprekend dat we ook iets voor die gemeenschap terugdoen. Dat gaat vanzelf. Om daar nou zo'n geldschieter tussen te hebben, die gaat kijken of jij wel ethisch genoeg bent, dat vind ik veel te ingewikkeld en eigenlijk ook misplaatst.''