Fuut

Aan de Amsterdamse kade speelt zich een liefdesdrama af. Twee mannetjesfuten maken een vrouwtje het hof. Maar zij heeft al gekozen. In een stijlvol ballet baltst het paar, de witte hals elegant gestrekt. Hij duikt onder en schenkt haar een visje. Vroeger kwam de fuut, eens een schuwe vogel, uitsluitend voor in uitgestrekte zoetwaterplassen. Nu veroveren ze elke gracht en wetering. De eerste stadsfuut maakte in 1976 zijn entree in Amsterdam. Pronkvogel, keizer, satijn- en kroonduiker zijn terecht de andere namen voor deze exotische verschijning. De bovenzijde is van glanzend kastanje, de kuif eindigt in twee oorpluimen en rondom de kop glorieert een franje die ook kastanjebruin is. Naar uiterlijk zijn mannetje en vrouwtje gelijk. Met nestelen zijn ze niet kieskeurig. Ze bouwen een drijvend nest, verankerd aan waterplanten of aan wrakke, halfgezonken bootjes. Na 28 dagen komt het legsel van drie tot vijf eieren uit. De zwart-wit gestreepte jongen verlaten het nest spoedig. Als ze moe zijn of bij gevaar klimmen ze op de rug van vader of moeder en drijven mee, veilig en beschut.

freriks@nrc.nl