Franse communisten likken hun wonden

De Franse communisten, scoorden nog nooit zo laag als bij de verkiezingen van vorige week. Meeregeren heeft de teloorgang versneld, maar ook de ondergang uitgesteld.

Excommunicatie, vadermoord, doodzwijgen behoren niet meer tot de mores, maar een interne crisis in de PCF, de Franse Communistische Partij, kon niet uitblijven na het historische lage verkiezingsresultaat in de eerste ronde van de presidentsverkiezingen van afgelopen zondag.

Direct na het bekend worden van de uitslag (3,39 procent) bezwoeren de kameraden dat partijvoorzitter en presidentskandidaat Robert Hue `geen zondebok' zou worden, maar nog geen week later wordt daar her en der toch anders over gedacht. De partijleider wordt verweten een linkse politiek bon teint, met een lekker kleurtje, te hebben bedreven in plaats van te strijden tegen `ongelijkheid en armoede'. Er worden `buitengewone congressen' geëist, `nieuwe kaders' en aansluiting bij `alle sociale en politieke krachten die een werkelijk andere koers willen varen'.

Het lijken de laatste stuiptrekkingen vóór een sinds lang aangekondigde dood. Opgericht in 1920 was de PCF van 1945 tot eind jaren zeventig de grootste linkse partij van het land en een machtsfactor van formaat. Tot 1981 was het normaal dat ongeveer een kwart van de stemmen naar de PCF ging. In dat jaar, nog onder de oude partijgeneraal Georges Marchais, zette het verval in, met 15,3 procent bij de presidentsverkiezingen. Bij die van 1988 halveerde dat percentage. De score van Hue in 1995 (8,7 procent) werd van de weeromstuit als een overwinning beschouwd. Maar dat was slechts tijdelijk.

In 1994, vijf jaar na de val van de Muur, trad Hue aan. Hij voerde `hervormingen' in, die voornamelijk cosmetisch van aard waren. Het Sovjet-communisme, dat met de verdwijning van de Sovjet-Unie al dood en begraven was, werd niet langer met hand en tand verdedigd. Hue zelf liet zich à l'américaine `Bob' noemen en bovendien `voorzitter' in plaats van `secretaris', dat al te pijnlijk aan een politburo herinnerde. De innige banden met de vakbond CGT werden versoepeld. In tegenstelling tot de zusterpartijen in de rest van Europa ging de PCF niet zover om het predikaat `communistisch' te schrappen: individuele partijleden volstonden met uit te leggen dat het `humanistisch' betekende.

Het resultaat was dat de PCF in 1997 rijp was om toe te treden tot de coalitie van `meervoudig links' van de socialistische premier Lionel Jospin. De geschiedenis maakte de samenwerking met de PS, de socialistische partij, niet voor de hand liggend. Het al ruim een decennium voor de ineenstorting van het Oostblok ingezette verval van de PCF kon immers op het conto geschreven worden van de in 1969 opgerichte sociaal-democratische partij. De toetreding tot Jospins `meervoudig links' werd dan ook gelegitimeerd met de bezwering dat de partij in de coalitie `links van links' vertegenwoordigde. Het was min of meer de formule van de campagne voor de presidentsverkiezingen van dit jaar: `links verankerd in links'. Men regeerde als het ware mee om erger te voorkomen.

Dat de kiezer dat niet zo ervoer, bleek al uit de dramatische verliezen (een derde van de 75 steden met meer dan vijftienduizend inwoners) bij de gemeenteraadsverkiezingen van maart vorig jaar. De PCF had uit de coalitie kunnen stappen, zoals Jean-Pierre Chevènement van de Mouvement des Citoyens deed. Maar de communisten kampten met een dilemma, waar Chevènement geen last van had. Regeringsdeelname mocht de dood van de partij versnellen, tegelijkertijd werd die erdoor uitgesteld. Zolang men medeverantwoordelijk was voor een beleid dat, in combinatie met een bloeiende wereldeconomie, Frankrijk onmiskenbaar goed deed, was er immers hoop.

Met de overschrijding van de fatale ondergrens van vijf procent is die hoop vervlogen. De mondjesmaat doorgevoerde modernisering van de partij is te veel gebleken voor de traditionele PCF-stemmer. Een thema als de schrikwekkende mondialisering heeft de partij letterlijk links laten liggen, precies daar waar extreem-links (samen goed voor ruim tien procent van de stemmen) klaarstond om de kiezers op te vangen. Vijf procentpunten heeft de vijfjarige regeringsdeelname de PCF gekost, precies één per jaar.

Afgezien van de electorale strop of liever gezegd: daarmee verband houdend is er een financieel probleem. Omdat de partij minder dan vijf procent van de stemmen heeft gehaald, worden de kosten van de campagne (ruim acht miljoen euro) niet vergoed. De aan de partij gelieerde krant L'Humanité en het door architect Oscar Niemeijer ontworpen hoofdkantoor aan het Parijse Place du Colonel-Fabien zijn een luxe die een politieke groupuscule met een aanhang van nauwelijks 3,4 procent zich op termijn niet kan permitteren. Niet zonder leedvermaak heeft de rechtse krant Le Figaro zich al afgevraagd of aan het place Colonel-Fabien nu luxe-appartementen komen. Immers: ,,De USSR is er niet meer om de schulden te betalen''.