Frankrijk moet Europa aan het denken zetten

Uit de electorale aardbeving in Frankrijk, afgelopen zondag, kan een aantal lessen worden geleerd. Bijvoorbeeld in heel Europa beter luisteren naar wat de burgers bezighoudt, meent Chris Patten.

Zoekend in het puin na de aardverschuiving in de eerste ronde van de Franse presidentsverkiezing ten gunste van Jean-Marie Le Pen, zijn er ten minste drie belangrijke stukken politiek metselwerk die gered en goed bekeken moeten worden.

Ten eerste hebben het kiesstelsel en de democratische politiek in Frankrijk bepaalde eigenaardigheden die hebben bijgedragen tot deze uitkomst, maar de keuze voor het populistisch extremisme is een Europees, en niet speciaal een Frans verschijnsel.

Om daar iets aan te doen zal sterk en eerlijk leiderschap nodig zijn. Gemopper op de kiezers over hun electorale zonden werkt averechts. Maar dat is iets anders dan de formulering van een ruimhartige visie op het burgerschap.

Links moet niet denken dat het de deugd in pacht heeft als het gaat om kwesties als maatschappelijke verhoudingen en sociale rechtvaardigheid. Als links zijn traditionele aanhang voorhoudt dat het verwerpelijk conservatief is om bezorgd te zijn over de rechtsstaat, loopt die onherroepelijk massaal weg.

Op hun beurt dienen rechtse politici er zorg voor te dragen dat er een duidelijke en onoverbrugbare kloof is tussen hun pleidooi voor nationale waarden, burgerlijke verantwoordelijkheid en individuele rechten, en de vreemdelingenhaat en het flagrante racisme van de extremisten. Ze moeten duidelijk afstand nemen van het denkbeeld dat misdaad rasgebonden is, en in de discussie over sociale polarisatie dienen ze meer fantasie en leiderschap te betonen. Waarom kan rechts niet overtuigender de armoede te lijf gaan?

Maar de kern is dit, en dat geldt voor allemaal: als het politieke debat wordt ontdaan van beginselen en denkbeelden, als het gewoon een vorm van consumenten-marketing wordt, dan gaan extremisme en agressief-eenvoudige oplossingen de agenda overheersen. Als democratische politici niets te zeggen hebben of voorbijgaan aan de thema's die de kiezers echt bezighouden, dan komen anderen in de publiciteit.

De tweede les die ik uit de Franse electorale aardbeving put is de noodzaak het politieke debat te relateren aan de ambities en de zorgen van de meeste burgers. Dat is ook een belangrijke les in het Europese debat, bij de bespreking van de structuren voor de omgang met een gedeelde soevereiniteit. Dit debat wordt omgeven door een onaangename politieke correctheid. Om een `goede Europeaan' te zijn, moeten we voor `meer Europa' zijn, zo wordt ons voorgehouden. Wie hier iets tegen inbrengt, wordt met hooghartig misprijzen gezien als iemand zonder visie.

Maar de ware politieke uitdaging voor de Europese politieke leiders is om mensen ervan te overtuigen dat thema's die op Europees niveau worden of moeten worden behandeld, ook nog aan democratische controle onderhevig kunnen zijn.

Rationeel aanvaarden de kiezers misschien nog wel dat de soevereiniteit wordt gedeeld, maar ze willen niet dat de `steeds hechtere unie' neerkomt op `steeds verder wegkwijnende nationale staten'. De poging om liefde en trouw op een breed doek te projecteren botst met het gegeven dat wij ons leven meestal leiden aan de hand van loyaliteiten dichter bij huis.

Willen we voldoen aan de centrale opdracht van de liberale orde, zoals uiteengezet door Tocqueville, dan moeten we zorgen dat mannen en vrouwen de verplichting aanvaarden om zichzelf te besturen. Dat vereist een vertrouwde en hanteerbare politiek, geen afstandelijke en steriele bureaucratie.

Ten derde moeten korte metten gemaakt worden met de aantijging dat de mondialisering een bedreiging is voor onze waarden en onze veiligheid. Het is onzinnig om tegen de mondialisering te zijn. Je kunt net zo goed tegen het weer zijn. Maar de mondialisering hoeft niet tot sociaal onrecht te leiden. De wereldmarkten moeten rechtvaardiger worden voor arme landen. Het gekke is dat enkele van de meest fervente Europese protectionisten, niet in de laatste plaats in de landbouw, worden bejubeld als vrienden van de ontwikkelingslanden, domweg omdat ze kritiek op de mondialisering hebben. Maar de arme migranten in onze eigen maatschappijen wonen juist vaak in Europa omdat ze in hun land van herkomst geen toegang tot de ontwikkelde markten kregen.

De mondialisering houdt niet in dat in Europa massaal het Amerikaanse economische en sociale model wordt aanvaard. Er is veel bewonderenswaardigs aan de Verenigde Staten, en het kan best dat de Amerikaanse aanpak tot hogere groeicijfers leidt. Maar in Europa hechten we aan een grotere nadruk op gemeenschappelijke verantwoordelijkheid; aan dat wat wel eens solidariteit wordt genoemd. Daarvoor betalen we een prijs, maar dat vinden we ook best. Het geeft ons een zachtere, zij het misschien minder zinderende maatschappij.

Ik zeg niet dat het ene model beter is dan het andere, het is alleen anders. Als we dat in Europa zouden erkennen, zonder ons over te geven aan de economische en culturele protectionisten, zouden we misschien een coherenter antwoord hebben op onze maatschappelijke uitdagingen, en met meer succes en zelfrespect vorm kunnen geven aan onze verhouding met de VS.

Ik hoop dat na de verkiezingen in Frankrijk niet alles `bij het oude blijft'. Heel Europa moet nadenken hoe in plaats van politieke marketing weer een strijd tussen ideeën kan komen, en hoe die beter kan aansluiten bij dat wat de mensen werkelijk bezighoudt.

Chris Patten is Eurocommissaris voor Buitenlandse Betrekkingen.