Etty

Op 6 april 2002, de dag waarop `Maar' van mevrouw Etty verscheen, deelde ik bij een vestiging van Albert Heijn in de Amsterdamse Beethovenstraat flyers uit voor een boycot van IsraëIische producten. Het ging om een volstrekt vreedzame en niet provocerende actie. Na ongeveer een halfuur verschenen zo'n dertig orthodoxe joden onder aanvoering van rabbijn Evers. Omdat wij sterk in de minderheid waren zag deze groep kans ons in een hoek te drijven, waarbij wij tal van bedreigingen en beledigingen naar het hoofd geslingerd kregen. Een bij onze actie betrokken moslimactiviste kreeg van Evers en aanhang te horen dat ,,ze jullie allemaal moeten verbranden''. Zelf voelde ik mij ook sterk geïntimideerd. Zeker toen wij het verbod kregen in de Beethovenstraat te komen, omdat deze straat volgens de aanhang van Evers tot ,,onze wijk'' behoort. Ik ken rabbijn Evers van de tv als een goedmoedig man, maar die dag kreeg ik een andere indruk van hem. Nooit eerder heb ik zoveel haat meegemaakt.

Als het er in Amsterdam zo aan toe gaat, moet ik niet denken aan wat zich in Israël afspeelt. Ik ben een tegenstander van aanslagen op onschuldige Israëliërs en veroordeel antisemitisme. Maar tegelijkertijd zijn de oorzaken daarvan volledig duidelijk voor mij. In de negentiende eeuw leefden joden en moslims in volledige harmonie met elkaar in Palestina, tot het zionisme daar een einde aan maakte. Mevrouw Etty zou eens bij dat gegeven stil moeten staan, in plaats van zich aan te sluiten bij zionistische dogma's.