EINDELIJK EEN ZUIVERE CISTER, DANKZIJ VONDST IN OUD SCHEEPSWRAK

Op grond van de restanten van twee cisters die al in 1980 werden gevonden in een scheepswrak in de Noordoostpolder is nu eindelijk een niet vals klinkende reconstructie van dit zeventiende-eeuwse Nederlandse instrument gemaakt. Musicoloog Louis Peter Grijp, verbonden aan het Meertens Instituut in Amsterdam, en de Utrechtse luitbouwer Sebastián Nuñez presenteerden het instrument eind vorig jaar op een congres voor archeologen in Almere. Een cister lijkt nog het meest op een kleine, druppelvormige gitaar.

In het buitenland is wel een aantal (vooral Italiaanse) exemplaren bewaard gebleven en in Portugal wordt de cister zelfs nu nog bespeeld, maar deze varianten hebben allemaal een andere bouw dan de gevonden Nederlandse instrumenten. Het resultaat is een instrument van een centimeter of zeventig lang, gemaakt van onder andere esdoorn- en vurenhout. De klankkast is aan de voorzijde vlak en aan de achterzijde bol. De snaren zijn van messing, evenals de fretten, de dwarsbalkjes op de hals die de plaats aangeven waar de vingers gezet dienen te worden.

In het verleden was aan de hand van afbeeldingen, bladmuziek en buitenlandse voorbeelden van cisters al eens geprobeerd reconstructies van het Nederlandse instrument te maken, maar deze klonken nooit helemaal zuiver. Met de vondst in het schip werd een getrouwe en goed klinkende reconstructie wel mogelijk. Op de restanten is bijvoorbeeld de afstand tussen de fretten goed te zien, waardoor nu duidelijk is waar de vingers gezet moeten worden. Ook is nu duidelijk hoe lang de snaren precies waren.

De cister, of cither, zoals het in de Gouden eeuw werd gespeld, was destijds een zeer populair instrument, vergelijkbaar met de luit en de klavecimbel. De bekende zeventiende-eeuwse organist en componist Jan Pietersz Sweelinck schreef er zelfs speciaal een boek voor, dat verdwenen is, maar in andere boeken wel wordt genoemd. Aan het eind van de zeventiende eeuw raakte de cister in onbruik. ``Op een gegeven moment zijn veranderingen aan het instrument aangebracht en werd het notenschrift niet meer begrepen. De bouw van het instrument stopte en bestaande exemplaren verdwenen. In de open haard bijvoorbeeld'', zo verklaart Nuñez het ontbreken van meer overblijfselen. De cister komt nog tot in het begin van de 18de eeuw op afbeeldingen voor.