Bijzonder onderwijs

De discussie over de vraag of bijzondere scholen, naast de openbare, moeten worden gehandhaafd (`Leve het bijzonder onderwijs', W&O, 21 april) spitst zich voornamelijk toe op het probleem dat deze scholen leerlingen van andersdenkenden de toegang kunnen weigeren. Er is echter nog een probleem. Hoewel vrijheid van onderwijs als een groot liberaal goed wordt ervaren, omdat de verscheidenheid in de samenleving erin tot uitdrukking komt, is het de vraag of die verscheidenheid weerspiegeld moet worden in allerlei schoolsoorten. In elke school immers worden de leerlingen geconfronteerd met één dominante levensbeschouwing of godsdienstige overtuiging en is er van verscheidenheid opeens geen sprake meer.

Zou die verscheidenheid niet beter tot uitdrukking kunnen komen in een cultureel pluriform aanbod in èlke Nederlandse school? En, daarmee samenhangend, is het de taak van de overheid, die het onderwijs bekostigt, de kinderen wegwijs te maken in ons rijk geschakeerde cultuurgoed of moet de overheid toezien dat een groot gedeelte van datzelfde cultuurgoed aan kinderen wordt onthouden onder het mom van `vrijheid van onderwijs'?

Kinderen moeten kennis kunnen maken met wat in de Nederlandse samenleving leeft op welke school dan ook. Dat zou het respect voor andersdenkenden wel eens meer kunnen stimuleren dan een exclusieve kennismaking met een exclusieve denkrichting in een exclusieve school. De kinderen moeten straks als zelfverantwoordelijke volwassenen kunnen kiezen voor of juist niet voor een bepaalde levensbeschouwing. In de exclusieve school valt echter niets te kiezen, daar wordt de kinderen onthouden hoe zo'n keuzeproces er in beginsel uit kan zien.

Het respect in onze liberale samenleving voor verschillende levensbeschouwingen is niet gediend met een eendimensionale, bijzondere school. Juist uit respect voor ons cultuurgoed zouden alle kinderen op alle scholen hiermee kennis moeten maken.