Zakelijkheid was niet geheel zoek in Bosnië-beleid

Compassie en ambitie. Dit waren volgens professor Blom bij zijn presentatie van het NIOD-rapport over Srebrenica de belangrijkste drijfveren van de Haagse politiek bij het besluit tot deelname aan de VN-vredesmacht UNPROFOR in Bosnië. Compassie met het menselijk leed, veroorzaakt door de burgeroorlogen in deze voormalige Joegoslavische republiek, ambitie om `Nederland op de kaart te zetten'. Daar kwam vervolgens een politiek-militaire ambitie bij: de nieuwe luchtmobiele brigade te presenteren als een volwaardig onderdeel van de krijgsmacht. Het koninkrijk had met succes de ommezwaai gemaakt van een klassiek leger van dienstplichtigen ter verdediging van het vaderland tijdens de Koude Oorlog naar een professionele interventiemacht, op afroep beschikbaar voor internationale vredestaken. Althans, dat diende toen te worden bewezen.

Er was intussen een derde drijfveer: verdediging van het nationale belang zoals opeenvolgende kabinetten en volksvertegenwoordigingen dit interpreteerden. Dat belang werd en wordt in de eerste plaats bepaald door de historische noodzaak de internationale rechtsorde te (helpen) verzekeren. Die rechtsorde is voor een traditioneel handelsland met zeer beperkte nationale mogelijkheden tot machtsvorming een existentiële voorwaarde. Uit dit axioma vloeit de noodzaak voort in voorkomende gevallen loyaliteit te tonen aan de internationale instellingen waarmee Nederland uit goed begrepen eigenbelang is verbonden. Bij de bemoeienis met de Balkan waren dat de Europese Gemeenschap (later EU), de OVSE, de VN en de NAVO.

In de tweede plaats gold een intensere en `modernere' overweging: paal en perk stellen aan de bloedige ontsporing van `etnische schoonmaak' en massamoorden in de eigen regio. Europa wilde niet lijdelijk toezien dat in zijn periferie misdaden tegen de menselijkheid werden gepleegd op een schaal die sinds de Tweede Wereldoorlog niet meer was voorgekomen. Het georganiseerde Europa heeft, juist op grond van de ervaringen uit die oorlog, ook een morele pretentie. Die pretentie moest hier en nu worden waargemaakt, wilde Europa in eigen ogen geloofwaardig blijven. Daarbij kwam een meer praktische overweging. Een zo spoedig mogelijk herstel van wet en orde moest een grootscheepse uittocht uit het oorlogsgebied naar de rest van Europa helpen voorkomen. De verstrekte humanitaire hulp had dit mede als doelstelling.

De termen `compassie' en `ambitie' hebben, meer dan het rapport als geheel, met al zijn nuances de toon gezet voor het op de publicatie gevolgde debat. Hoewel er intrinsiek niets mis is met het tonen van compassie en het hebben van ambitie, is toch de negatieve indruk ontstaan van een overijverig en naïef opereren van de kant van de Nederlandse politiek. Vaderlandse betrokkenheid bij de mislukking van de VN-vredesinterventie in Bosnië-Herzegovina, die met `Srebrenica' onomstotelijk kwam vast te staan, zou, zo wordt gesuggereerd, voorkomen hebben kunnen worden als Den Haag minder compassie had getoond en zijn ambities beter had weten te onderdrukken. Mijns inziens gaat zo een suggestie voorbij aan de internationale en Europese politieke constellatie op langere termijn èn op de momenten van besluitvorming zelf, constellatie waarvan Nederland bestanddeel was en is.

Dat de zakelijkheid in de officiële Nederlandse gedachtevorming niet helemaal zoek was, bleek al bij de aanvang van de tragedie uit de zogenoemde coreu die directeur-generaal Politieke Zaken Van Walsum na overleg met zijn minister Van den Broek deed uitgaan naar de ambtgenoten in de Gemeenschap. Daarin werd gepleit voor de realistische erkenning dat als men al niet in staat was Joegoslavië bijeen te houden, de handen eveneens gebonden zouden blijken in het geval van de deelrepubliek Bosnië-Herzegovina. Bosnië, zoals het gebied meestal kortaf wordt aangeduid, was met zijn schakering van etnische minderheden in feite een projectie van Joegoslavië. Voorzichtig werd voorgesteld met betrokkenen een gesprek te beginnen over de grenzen van de nieuwe republieken ofwel de oude binnengrenzen van Joegoslavië. Het idee bleek een doodgeboren kindje. Niemand wilde het in overweging nemen. Maar een paar jaar later, in Dayton, legde de internationale gemeenschap zich min of meer neer bij de op de slagvelden bereikte bestuurlijke indeling van Bosnië in compacte etnische eenheden.

Het debacle in Srebrenica heeft overigens niet geleid tot een vermindering van Nederlandse betrokkenheid bij vredesmissies. Integendeel. Nederlandse militairen zijn aanwezig in Bosnië, waren betrokken bij de luchtoorlog tegen Joegoslavië en bij de interventie in Kosovo, en maken zich nu op voor een tweede missie in Macedonië. Parallel leverde Nederland voor een periode de bewakingsmacht langs de `groene lijn' tussen Ethiopië en Eritrea. De opmerkelijkste missie is momenteel die in Kabul, opmerkelijk omdat het hier niet gaat om het scheiden van vijanden, maar om het in het zadel houden van een nieuw en met Amerikaanse en Britse militaire hulp aan de macht gebracht bewind in een permanent chaotische omgeving.

Veel is de laatste dagen gesproken over het trekken van lessen uit de tragedie van Srebrenica. Op zichzelf is dat een goede zaak, maar het achterom kijken kan tot gevolg hebben dat de ingrijpende verschuiving die zich voltrekt in het verschijnsel `vredesinterventie' over het hoofd wordt gezien. Om het gebruik van machtsmiddelen in dienst van de vrede te rechtvaardigen, heeft de VN in voorkomende gevallen en bij herhaling gewezen op het gevaar voor de internationale vrede en veiligheid dat zou ontstaan als niet zou worden ingegrepen. Een inbreuk op de soevereiniteit van een staat kon zo vooraf, soms ook achteraf (zie de luchtoorlog van de NAVO tegen Joegoslavië) worden gerechtvaardigd.

De vredesmissie in Kabul is echter een uitvloeisel van de erkenning van het recht op zelfverdediging van de Verenigde Staten door de VN-Veiligheidsraad na de aanslagen van de elfde september. Naast de Nederlandse instemming met het NAVO-besluit artikel 5 van het Atlantisch verdrag te activeren (één voor allen, allen voor één), heeft het koninkrijk zich bereid verklaard om, onder auspiciën van de VN, deel te nemen aan een zogenoemde coalition of the willing ter beveiliging van Kabul en omgeving. Gezien het zeer beperkte mandaat van deze coalitie, een beperking die door Washington wordt opgelegd, kan ook maar zeer beperkt sprake zijn van het verzekeren van de internationale vrede en veiligheid in het gebied.

Anders gezegd: de vredesmissie in Kabul is, tenminste praktisch, onderdeel van de zelfverdedigingsoperatie van de Amerikanen. Wat weer leidt tot de vraag: is een vergelijkbare missie denkbaar in Bagdad?

J.H. Sampiemon is oud-redacteur van NRC Handelsblad.