Wrevel van een buitenstaander

`Mijn zoektocht naar wat je ``het einde van de relativering' zou kunnen noemen in een klimaat waar Lyotards ``het einde van de meta-verhalen' mij de wet voorschrijft, is hardnekkig', zo schrijft Marc Reugebrink in zijn essaybundel De inwijkeling. In één adem benoemt de dichter en romancier zijn thema, het zich afzetten tegen een `versteende' opvatting van het postmodernisme, en zijn dwarsheid en koppigheid.

Reugebrink voelt zich een vreemde in het huidige literaire klimaat. Hij tooit zich met de term `inwijkeling', Vlaams voor `immigrant'. Als `Groningse dichter' is hij in de Randstad altijd de provinciaal gebleven en nu hij in België woont heet hij een kaaskop. Dat verklaart dat hij leeft en werkt met het gevoel een buitenstaander te zijn, die er graag bij wil horen. Vandaar dat de combinatie van `in' en `wijken' zo `volledig beschrijft wie hij altijd al was'.

Daaruit lijkt te volgen dat hij zich interesseert voor schrijvers in dezelfde perifere positie: Anneke Brassinga, Stefan Hertmans, Charlotte Mutsaers, Kees 't Hart, Eduard du Perron, Arjen Duinker, Peter Verhelst en holocaust-overlevende Jean Améry. Nu is de positie van buitenstaander in de literatuur eerder conventioneel dan afwijkend, maar Reugebrink doet verwoede pogingen het werk en de eigenheid van deze auteurs te benoemen en te classificeren. Alleen inwijkeling Charlotte Mutsaers blijft ongrijpbaar voor hem. Ze `ontsnapt aan de begrippen die mij ter beschikking staan om vat te krijgen op de werkelijkheid'. Dat leidt tot een ontspannen essay, waarin hij zich tegenover dierenliefhebster Mutsaers opstelt als Mechelse herder en behaaglijk veel van haar proza citeert.

Dat is uitzonderlijk tussen de strenge, doorwrochte, van filosofische verwijzingen en bespiegelingen overlopende andere stukken, geschreven in een gejaagde, kronkelende stijl. Zijn `wantrouwen' en drang tot `doorredeneren', eigenschappen waar Reugebrink zich trots op beroept, maken dat hij geregeld doordraaft. Hij bedient zich bijvoorbeeld van de `stroman': de retorische techniek om je doelwit met jouw interpretaties op te tuigen, te fixeren en vervolgens aan te vallen. Een andere dubieuze schakel in zijn denken is de analogie. Zo stuitert hij van een `post-politiek klimaat' naar een `post-literaire literatuur' naar een literatuurkritiek die `ook' historisch is geworden. Het is onbesuisd redeneren, aangewakkerd door zijn voortdurend opspelende wrevel over het versteende postmodernisme.

Dezelfde wrevel herkent Reugebrink bij Kees 't Hart. Tussen alle `onomwonden spot' in zijn romans signaleert hij `desolate zinnen', `die ook heel goed voor zouden kunnen komen in het werk van Beckett'. Reugebrink ruikt zijn kans: 't Hart steekt niet de draak met het werk van Beckett, Kafka, Althusser, maar `ridiculiseert de cultuurbijlageopvatting van het postmodernisme als een tot niets verplichtende normloosheid.' Via Lacan en de poststructuralisten komt Reugebrink uit bij de weinig opzienbarende vaststelling dat het 't Hart gaat om: `geluk – simpel, eenvoudig, en in de meest sentimentele zin.'

In het essay over Duinker, een dichter die zich sterk afzet tegen interpretatie en symboliek, verzet Reugebrink zich terecht tegen de opvatting dat Duinkers poëzie naar het betekenisloze neigt. Daartegenover stelt Reugebrink dat `de gedichten je fouilleren op die menselijke, al te menselijke neiging om aan ervaringen betekenis toe te kennen', en: `Ze is poëzie omdat ze eigen is, beter nog; omdat ze domweg ís.'

Zijn wrevelige verzet, zijn hardnekkigheid, de manier waarop hij zijn persoonlijkheid inbrengt en de aanval kiest, het is allemaal niet onsympathiek. De Nederlandse literatuur zou een inwijkeling die de boel opschudt en de barricades opdurft stellig met liefde in de armen moeten sluiten. Maar een dergelijke stellingname vraagt om helderheid en scherpte, en om verrassender inzichten dan Reugebrink in deze bundel biedt.

Marc Reugebrink: De inwijkeling. Essays. Meulenhoff, 208 pag. €17,90