Wachten op de kozakken

Eigenlijk is het vreemd dat Friedrich Nietzsche tegenwoordig tot de meest gelezen filosofen behoort. Hij verheerlijkte macht, agressie, hiërarchie, en hij veroordeelde bijna alles, van humanisme tot democratie, waar de moderne westerse beschaving prat op gaat. `Hoe is het mogelijk dat deze zichzelf overschreeuwende, van tegenspraken aan elkaar hangende krankzinnige mens gedurende honderd jaar zo'n groot leger van bewonderaars kon optrommelen, zo'n uitvoerige bibliotheek van exegetische geschriften over zijn werk wist te verzamelen? Zijn wij zelf niet gek?', vraagt Robert Lemm zich af in de epiloog van Vloekgezant. Léon Bloy contra Friedrich Nietzsche. Dat Nietzsche nu zelfs wordt opgevoerd als een `morele autoriteit', vindt hij `een van de duivelse raadsels van onze tijd'.

Maar met de duivel weet Lemm wel raad; in zijn pamflet wordt het raadsel dan ook opgelost. Ja, we zijn inderdaad gek, lijkt hij te willen zeggen, omdat we ons door Nietzsche gek hebben laten maken. Hij is het tenslotte die God heeft dood verklaard en de Waarheid van haar voetstuk heeft gehaald, waardoor de deur wijd open werd gezet voor een verderfelijk `nihilisme'. In Lemms ogen is de filosoof met de hamer niets minder dan `de gier die het hart uit de moderne mens wegvreet' en een van de wegbereiders van de `Antichrist'.

Zo rauw krijgen de Nietzsche-bewonderaars het nog maar zelden voor hun kiezen.

Lemms geharnaste beschuldigingen hadden afkomstig kunnen zijn van de Franse schrijver Léon Bloy (1846-1917), een katholieke integralist of (zoals we nu zouden zeggen) fundamentalist, die in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw onder radicale katholieke jongeren – ook in Nederland – het nodige aanzien genoot. Onder de pen van Robert Lemm herleeft Bloy's heilige toorn, die zich indertijd met groot polemisch geweld richtte tegen alles waar de moderne wereld voor stond.

Daarin leek hij op Nietzsche, met wie hij niet alléén een imposante snor gemeen had. In Frankrijk wordt Bloy niet zelden aangeprezen op grond van deze verwantschap, maar Lemm legt vooral de nadruk op wat beide literaire geweldenaars van elkaar onderscheidt. Bloy is voor hem Nietzsches `antipode', de enige die werkelijk tegen deze `godsmoordenaar' zou zijn opgewassen. `Hier staat lijdensmoed tegenover levenslust, het verlossende kruis tegenover de vicieuze cirkel.'

Wie tegenwoordig de zijde van Bloy kiest, hoeft zich niet veel illusies te maken: net als zijn held is hij gedoemd een roepende in de woestijn te blijven. In zijn pamflet (opgedragen `aan de Vrouwe van alle Volkeren en aan de kleine zielen van de Barmhartige Liefde') beweert Lemm weliswaar dat de aandacht voor Bloy sinds 1989 een `ongekende intensiteit' heeft gekregen, maar of daarbij ook een herwaardering van diens compromisloze katholicisme is inbegrepen, valt te betwijfelen. Zo gemakkelijk laten twee eeuwen secularisatie zich niet ongedaan maken. De herleefde belangstelling voor Bloy, blijkend uit heruitgaven van zijn werk en enkele speciaal aan hem gewijde tijdschriftnummers, betreft vooral de schrijver Bloy, minder de meedogenloze profeet van de `eindtijd'.

Zelf lijkt de hispanist en vertaler Lemm bij Bloy terecht te zijn gekomen via Borges, die de Franse apocalypticus bewonderde om zijn `symbolische' interpretatie van de geschiedenis. Voor Bloy was de geschiedenis het `geheimschrift' van God, dat hij in schitterende poëtische teksten over onder anderen Columbus, Marie-Antoinette en Napoleon heeft gepoogd te ontcijferen. In zijn pamflet geeft Lemm enkele vertaalde voorbeelden, ontleend aan Le salut par les juifs uit 1892, misschien wel het meest weerbarstige visionaire geschrift dat Bloy op zijn naam heeft staan.

Uit protest tegen de bestsellers van de antisemiet Edouard Drumont verdedigt Bloy het uitverkoren volk, vreemd genoeg door juist de verloedering en de geldzucht van de joden – ogenschijnlijk in traditioneel antisemitische trant – te onderstrepen. Maar bij Bloy, die zichzelf een profetische kennis van Gods heilsplan toeschreef, blijkt deze verloedering tegelijk de voorwaarde voor de latere verheffing van de joden. Hun door hem – op gezag van de apostel Paulus – voorspelde bekering zou het belangrijkste teken worden van de naderende wederkomst van Christus.

Voor zulke verheven inzichten bestaat nu weinig ontvankelijkheid, ben ik bang, en dat niet alleen vanwege `Auschwitz'. Onverschrokken lezers zullen hoogstens bewondering opbrengen voor de fonkelende stijl waarin Bloy zijn mystieke visioenen heeft verwoord. Ook daarin lijkt hij op Nietzsche, wiens verschrikkelijke waarheden nu eveneens vaak om esthetische redenen worden geslikt. Bij Bloy is dat minder vreemd dan bij Nietzsche. Want in feite was hij veel meer een literator dan zijn Duitse tegenpool, en ook meer dan Lemm in zijn pamflet laat uitkomen.

Dat Bloy, die twee romans publiceerde en tal van verhalen, dagboeken en kritieken, los stond `van degenen die als sociale of artistieke vernieuwers hun schaduw over de komende generatie vooruitwierpen', zoals Lemm schrijft, lijkt me op z'n minst overdreven. Met de sociale vernieuwers had de `ondankbare bedelaar' inderdaad niet zoveel op: de armoede beschouwde hij als een deugd, niet als een vloek, en in het socialisme kon hij, net als Nietzsche trouwens, enkel ressentiment ontwaren. Van distantie tot de artistieke vernieuwers is daarentegen veel minder sprake geweest, getuige Bloy's vriendschap met literaire tijdgenoten als Huysmans, Villiers de L'Isle Adam en Verlaine. Dat hij met sommigen van hen uiteindelijk ruzie kreeg, doet daar niets aan af.

Wèl heeft Lemm natuurlijk gelijk dat het Bloy in laatste instantie niet om literatuur te doen was. `Ik wacht op de Kozakken en op de Heilige Geest', luidt een van zijn bekendste uitspraken. Alleen sektarische katholieken als Lemm zullen het hem nazeggen. Ongelovige lezers halen er, bij alle appreciatie voor de pakkende formulering, de schouders over op. Om Bloy, deze `pelgrim van het Absolute', voor honderd procent te kunnen waarderen moet je het nu eenmaal bij voorbaat met hem eens zijn.

Hetzelfde geldt voor dit pamflet van Robert Lemm. De geest die eruit spreekt is te bizar en te doctrinair om bij andersdenkenden volledige instemming af te dwingen. Desondanks zet Lemm, juist door zijn extremisme, aan het denken over de beperkingen van een esthetische of literaire benadering van `profetische' auteurs als Bloy en Nietzsche. Zo'n benadering kan leiden tot een ongemakkelijke paradox: ten einde hun boodschap zo onontkoombaar mogelijk te verkondigen ontwikkelden Bloy en Nietzsche zich tot briljante stilisten, maar door vooral van hun stijl te genieten weten wij ons – al dan niet opzettelijk – af te schermen van wat we liever niet willen horen.

Robert Lemm: Vloekgezant. Léon Bloy contra Friedrich Nietzsche. Aspekt. 160 blz. E14,98