`Verantwoordelijk, ja. Maar ik voel me niet schuldig'

Het buitenland kampt ook met nationale trauma's. Ook daar proberen politici dingen binnenskamers te houden. `Niet onmenselijk, maar wel onacceptabel' zei Paul Rosenmöller gisteren tijdens het Srebrenica-debat.

,,Het is erg als een regering vermijdbare fouten maakt. Nog erger is het, als ze probeert die fouten te verdringen of te verdoezelen.'' Dat schreef Alfred Häsler in het boekje Wahrheit verjährt nicht (1997) over de houding van Zwitserland in de Tweede Wereldoorlog. Maar ook al zal de waarheid nooit verjaren de gebruikelijke reactie van de politiek op het eigen feilen is verdringen en verdoezelen.

Nationale trauma's – variërend van `Srebrenica' in Nederland, tot het `nazigoud' in Zwitserland en de vergiftigde olijfolie in Spanje – leiden bij politici steevast tot ontkennen, negeren, bagatelliseren, traineren of verdraaien. Daarvoor gebruiken ze heel verschillende methodes. Zo zijn ze vaak geneigd om schuld en verantwoordelijkheid op één hoop te gooien. Door vervolgens directe schuld met (veelal terechte) redenen af te wijzen, hopen ze politieke verantwoordelijkheid te ontlopen. De toenmalige Franse minister van Volksgezondheid, Georgina Dufoix, meende zichzelf vrij te pleiten door over haar rol in het bloedschandaal te beweren: ,,Verantwoordelijk, ja, maar ik voel me niet schuldig''.

En Margaret Thatcher, Brits premier tijdens het ontstaan van het drama rond de gekkekoeienziekte, zei na het (eerste) rapport over de affaire, ,,geen spijt'' te hebben van haar handelwijze. ,,Ik ben er altijd van uit gegaan dat beslissingen op het gebied van voedselveiligheid gebaseerd moeten zijn op de best mogelijke wetenschappelijke informatie'', zei ze. Natuurlijk waren volgens haar ook andere overwegingen heel belangrijk ,,zoals de noodzaak om een teveel aan regelgeving te vermijden [volgens velen juist de oorzaak van de crisis, red.], maar nooit ten koste van voedselveiligheid.''

Veel politici meten hun verantwoordelijkheid af aan de gevolgen voor de carrière. Zo slaagde Laurent Fabius, ten tijde van zijn premierschap in 1985 op de hoogte van de risico's van de bestaande bloedtransfusiepraktijk, er uiteindelijk veertien jaar na de gebeurtenissen in zichzelf officieel vrij te laten pleiten. Hij beschuldigde iedereen van ,,veronderstellingen en verdachtmakingen''. Natuurlijk stond zijn handtekening onder besluiten, maar je kon toch moeilijk verwachten dat iemand als hij, die dagelijks verantwoordelijk was voor honderden besluiten, bij allemaal ook persoonlijk betrokken was. In zijn boek Les Blessures de la Vérité schildert hij zichzelf ten slotte af als een slachtoffer van de affaire.

Veel politici vinden dat aftreden geen zin heeft. Nadat een Belgische enquête-commissie het falen van politie en justitie in de zaak-Dutroux met naam en toenaam had gepubliceerd, bleek minister van Justitie Stefaan de Clerck niet in staat om de schuldigen tot ontslag te dwingen. De minister zag daarin echter geen reden om zelf consequenties te trekken, omdat zijn eigen vertrek ,,niets zou oplossen''.

Ook partijpolitieke overwegingen spelen vaak een rol bij de naweeën van nationale drama's. De Britse premier Tony Blair gelastte een onderzoek naar de BSE-crisis, maar vroeg de commissie om zich te richten op de periode tot maart 1996, één jaar voordat hijzelf aan de macht kwam maar lang voordat de crisis geheel onder controle was.

Nu ligt in de BSE-crisis de verantwoordelijkheid inderdaad grotendeels bij de Conservatieven – de partij bood in 2000 zelfs officieel excuus aan. Bij de affaire met de vergiftigde olie in Spanje zijn de verantwoordelijkheden veel meer vervlochten. De rechtse regering weigerde in 1981 verantwoordelijkheid te nemen voor de falende overheidscontrole, vanwege ,,de instabiele politieke situatie''. Het gevolg: aantasting van de geloofwaardigheid van de politiek.

De daaropvolgende socialistische regeringen wisten zich geen raad met die tragische erfenis. Door de schuld volledig bij zijn politieke opponenten te leggen, heeft premier Felipe González de mogelijkheid voor de overheid geblokkeerd om de financiële verantwoordelijkheid op zich te nemen. De slachtoffers werden een tweede keer slachtoffer, want de echte daders konden dus niet opdraaien voor de schade, opgelopen tot meer dan 5 miljard euro. Uiteindelijk stelde het Spaanse Hooggerechtshof de overheid aansprakelijk. Uit ,,sociale solidariteit'' luidde het vonnis.

Ook de blunders in de Dutroux-affaire hebben de Belgische politiek ernstig geschaad. De enquête bracht niet alleen het falen van justitie en politie aan het licht, maar legde ook de oorzaak bloot: politieke benoemingen op justitie, waardoor vacatures niet vanzelfsprekend werden ingevuld door de beste kandidaat. Maar de politiek onderzocht alleen justitie en politie en niet zichzelf. Zo ontstond bij het publiek het gevoel dat ,,de vieze hoge heren'' elkaar beschermden en dat er koppen moesten rollen. Maar politici zeiden dat `koppen rollen' nooit doel op zichzelf kon zijn.

In vergelijking met andere landen zijn de Zwitsers snel en relatief ongeschonden uit de `schaduw van de Tweede Wereldoorlog' getreden, zoals de Neue Zürcher Zeitung het drama noemde. Ze hadden weliswaar zeven jaar nodig, maar toen was de onafhankelijke speurtocht naar `slapende' rekeningen van holocaust-slachtoffers afgesloten, hadden de banken hun oorlogsverleden met meer dan één miljard euro afgekocht, hadden bedrijven met fondsen hun goede wil getoond en een historische commissie een reeks pijnlijke conclusies getrokken. Alleen met het beloofde solidariteitsfonds van zeven miljard frank, betaald uit de overtollige goudreserve, wil het niet zo erg vlotten.

Zonder een ongekende internationale druk was dit alles nooit gelukt. Niets doen zou Zwitserland veel meer schade hebben berokkend dan snel reageren. Vandaar dat het solidariteitsfonds, destijds een briljante bliksemafleider, nu die druk is verdwenen, nog wel een tijdje op zich zal laten wachten.