Tunnelzicht

Herziening is de vakterm voor het openbreken van een rechtszaak die is afgesloten door een definitief vonnis. Daarvoor is toestemming nodig van de Hoge Raad. Deze is daar zuinig mee. In het geval van de Puttense moordzaak wees het hoogste rechtscollege tweemaal een herzieningverzoek af. Nadat een getuige-deskundige te kennen gaf dat hij op het verkeerde been was gezet, gaf de Hoge Raad in januari 2001 alsnog het groene licht voor heropening van de zaak. Deze week kwam het gerechtshof in Leeuwarden tot een vrijspraak. Er blijkt heel wat meer mis te zijn met de oorspronkelijke veroordeling dan die deskundigenverklaring. In ongewoon krachtige termen veegt het hof Leeuwarden de vloer aan met de aanvankelijke veroordeling van het hof Arnhem, die door de Hoge Raad in cassatie is bevestigd. Er is geen bewijs dat de twee verdachten op de dag van de moord in de buurt van het slachtoffer zijn geweest. Toch hadden zij aanvankelijk een bekentenis afgelegd. Dat gebeurde echter onder druk van een spervuur aan verhoren in een onderzoek dat volgens de analyse van oud-commissaris Blaauw aan alle kanten rammelde: geen reconstructie, videobanden die waren gewist, DNA-sporen die naar een ander wezen.

De uitspraak in Leeuwarden klasseert de Puttense moordzaak als een gerechtelijke dwaling van het kaliber Giessen-Nieuwkerk (1929). Daarin had een overijverige politieman getuigen bewerkt om een verklaring af te leggen tegen een onschuldige. Wat beide zaken gemeen hebben is het tunnelzicht van de speurders die zich eenmaal hebben vastgebeten in een bepaald doelwit, en de rechters meekrijgen. De grote vraag is wat zo'n herziening zegt over de strafrechtspraak in Nederland. Dat men zo ver terug moet gaan voor een vergelijkbare cause célèbre zegt iets over de zeldzaamheidswaarde van een gerechtelijke dwaling. Men zal deze term vergeefs zoeken in de registers van de handboeken strafprocesrecht, evenals het lemma `tunnelzicht'. Toch behoort dit evenzeer tot de realiteit van de strafrechtspleging als het geringe aantal vrijspraken in zaken die eenmaal voor de rechter zijn gebracht.

De legendarische Amsterdamse officier van justitie Abspoel zei ooit: ,,Een verdachte ontmoet na de arrestatie eigenlijk nooit meer een onbevangen blik''. Dit mechanisme werkt door tot in de rechtszaal. De zitting is in het Nederlandse systeem ,,grotendeels een papieren aangelegenheid, gebaseerd op het dossier'', signaleerde de Leidse strafrechtsgeleerde 't Hart in 1994: ,,Daardoor heeft de rechter uitzonderlijk weinig controle op de opsporing''. Het hof Amsterdam verklaarde in dat jaar ,,dat het onderzoek ter terechtzitting in beginsel niet de strekking heeft leemten ten aanzien van de controleerbaarheid van de gang van zaken in het opsporingsonderzoek aan te vullen''. Deze uitspraak is een verontrustend stuk dichterbij dan Giessen-Nieuwkerk.

De Puttense moordzaak vormt een vraagteken bij de klassieke rol van de bekentenis als `regina probationis' (kroon op het bewijs). Zo vreemd is dat trouwens niet. In Amerika kwam begin jaren negentig de valse bekentenis als derde (na meineed en vergissingen van ooggetuigen) naar voren uit een onderzoek naar onjuiste veroordelingen. `Putten' herinnert eraan dat dit niet los kan worden gezien van factoren als de scoringsdrift bij opsporing en vervolging, die deze week nog weer als knelpunt werd aangewezen in een analyse van zogeheten megazaken. De zaak vormt ook meer dan een ontnuchterende voetnoot bij de opmerking van minister Korthals (Justitie) in de jongste aflevering van het tijdschrift voor de rechterlijke macht dat er bij de berechting ,,een afweging moet worden gemaakt tussen zorgvuldigheid en snelheid''. Het is al een verkeerd teken dat hij dit voorstelt als een keuze.