Toekomst verdrag tegen chemische wapens onzeker

De chef van de organisatie die het chemische- wapensverdrag uitvoert, is deze week afgezet. Willen de VS van het verdrag af?

Willen de VS nu ook af van het verdrag tegen chemische wapens? De hardhandige wijze waarop José Bustani, directeur van de uitvoerende organisatie van het verdrag (OPCW), deze week uit zijn functie is gezet, heeft verwarring gesticht bij ontwapeningsexperts. Twee jaar geleden werd de ambtstermijn van Bustani bij acclamatie verlengd. Twee maanden geleden viel hij bij de Amerikanen in ongenade, maandag kon hij opstappen.

De VS hebben de Braziliaanse carrièrediplomaat beticht van eigengereid, polariserend en ondiplomatiek handelen. Bustani voerde volgens hen een wanbeleid, stond toe dat de partijen bij het verdrag in kampen uiteen vielen en kreeg de financiën van de OPCW niet op orde. De kritiek is vanuit verschillende hoeken onderschreven maar lijkt ook een voorwendsel om te verhinderen dat Bustani het Amerikaanse Irak-beleid zou dwarsbomen. De VS beloofden hun bezwaren tegen Bustani te onderbouwen maar hebben dat niet gedaan.

Nu is er de vraag of ze, zoals ze zeggen, het verdrag echt willen versterken of dat ze er vanaf willen, zoals van het ABM-verdrag, het verdrag tegen kernproeven en in feite ook van het verdrag tegen biologische wapens. De regering-Bush telt zowel voorstanders van het verdrag zoals minister van Buitenlandse Zaken Powell, als tegenstanders zoals minister van Defensie Rumsfeld.

Het verdrag tegen chemische wapens, aanvaard in 1992 en van kracht geworden in april 1997, heeft diverse doelen. In de eerste plaats beoogt het vernietiging van de voorraden chemische wapens van de VS, Rusland, India en Zuid-Korea. Het gaat om zenuwgas, mosterdgas, lewisiet, blauwzuur en ook om biologisch gif.

In de tweede plaats dient het verdrag te voorkomen dat landen heimelijk chemische wapens ontwikkelen en of exporteren. Partijen bij het verdrag mogen geen noemenswaardige hoeveelheden gifgassen of essentiële chemische grondstoffen daarvoor in bezit hebben. Hun handel met niet-aangesloten staten is sterk beperkt. Om het gewenste gedrag af te dwingen is een complex systeem opgezet van declaraties en inspecties. Niet alleen de plaatsen waar de wapens worden vernietigd worden geïnspecteerd, maar ook de plaatsen waar ze lagen opgeslagen en waar ze kunnen worden geproduceerd.

Een derde doel van het verdrag is bevordering van uitwisseling van informatie en apparatuur voor de bescherming tegen aanvallen met chemische wapens. Dat is een doel waar de VS veel moeite mee hebben gehad, zij wensen geen inzicht te geven in de wijze waarop zij zich tegen chemische aanvallen verdedigen. Ook kostte het de VS veel moeite akkoord te gaan met de bepaling dat zij hun chemische industrie zouden openstellen voor buitenlandse inspectie.

Het reilen en zeilen van het verdrag en de OPCW is de afgelopen vijf jaar door gerenommeerde `denktanks' onderzocht, de laatste analyses stammen van vorig jaar. Opvallend is dat in geen ervan ongunstig wordt geoordeeld over Bustani. Voorts is er geen gebrek aan klachten over de werking van het verdrag. Behalve dat een flink aantal landen, waaronder Noord-Korea, Irak, Syrië, Israël, Egypte en Libië, het verdrag nog steeds niet hebben getekend of geratificeerd, is er grote zorg over Rusland dat er niet in slaagt zijn voorraden gifgas volgens het tijdschema te vernietigen. Rusland wijt het aan geldgebrek, het algemeen oordeel is dat het land verder van goede wil is.

Een probleem waarmee de OPCW al jaren kampt, is wanbetaling. Ruim twintig van de 145 aangesloten landen betalen hun contributie niet. Andere landen hebben de regels van het verdrag onvoldoende of onjuist in nationale wetgeving omgezet zonder dat daartegen effectief is opgetreden. Verder hebben landen de neiging onduidelijkheid of tegenspraak in het verdrag steeds meer in hun eigen voordeel uit te leggen.

Tekenend voor dat laatste is de kwestie rond de notitieboekjes van de OPCW-inspecteurs. Het verdrag verklaart dat deze boekjes `onschendbaar' zijn en niet mogen worden ingezien. Maar in een bijlage bij het verdrag staat dat geïnspecteerde staten recht hebben op kopieën van alle informatie. Inmiddels eisen bijna alle staten fotokopieën van de aantekeningen, wat de inspecteurs bloot stelt aan intimidatie. Opvallend is dat het de Amerikanen zelf zijn die er in de analyses slecht vanaf komen. Zij zijn het die het verdrag met allerlei ongewenst voorbehoud in nationale wetten opnamen, die laat en onvolledig declareren, die inspecteurs intimideren en dwarsbomen en die bepaalde delen van hun chemische industrie eenvoudig uitsluiten van inspectie.