Slecht gevoel op Defensie

Wie opziet tegen de 3.400 pagina's van het twee weken geleden gepubliceerde Srebrenica-onderzoek van het NIOD, heeft sinds vorige week een handzaam soort alternatief. Namelijk het 186 bladzijden tellende werkstuk De achterkant van de maan, waarin Bert Kreemers, gewezen plaatsvervangend directeur voorlichting van Defensie, zijn terugblik geeft op de loop van de gebeurtenissen sinds in 1993 het debat begon over de uitzending van wat even later Dutchbat zou gaan heten.

Kreemers (46), die voor hij in 1991 voorlichter bij Defensie werd vele jaren als medewerker bij de PvdA-fractie in de Tweede Kamer had gewerkt, was in de periode 1993-1999 aangaande Dutchbat en Srebrenica oog en oor van de ministers Ter Beek, Voorhoeve en De Grave. Aanvankelijk werd hij door de media gezien als een departementale spindoctor. In de landmachttop werd hij daarentegen steeds meer als een gevaarlijk heerschap beschouwd dat vaak meer openbaar wilde hebben dan het ministerie aan het Haagse Plein traditioneel lief is. Dat laatste ging zwaarder wegen naarmate Kreemers er, ook intern, steeds minder een geheim van maakte dat hij het onjuist vond dat de landmachttop zelf zoveel mogelijk de regie hield van het onderzoek naar wat er tijdens en na de val van Srebrenica, en de aansluitende moord op 7.500 moslim-mannen was gebeurd, gedaan en niet gedaan. Die opvatting, die hij uiteindelijk 16 februari 1999 in deze krant tot uitdrukking bracht in een artikel waarin hij de landmachttop een `doofpotmentaliteit' verweet en een parlementaire enquête bepleitte, leidde er toe dat De Grave hem van de directie voorlichting verwijderde.

Al in 1993 is Kreemers een dagboek gaan bijhouden, naar hij schrijft omdat hij vrijwel direct een slecht gevoel had over wat het Nederlandse aanbod aan de VN in een van de safe areas in Bosnië-Herzegowina te wachten zou kunnen staan. Dat dagboek en zijn verklaringen als getuige voor het `feitenrelaas' van de commissie-Van Kemenade (1998) en de onderzoekers van het NIOD vormen de basis voor zijn boek, waarvan het manuscript al sinds eind 1999 klaar was en dat uitgeverij Prometheus nu met zin voor goede timing heeft uitgebracht.

Kreemers' verslag laat zien hoeveel harder Buitenlandse Zaken in 1993 aan de uitzending trok dan Defensie, waar aarzelingen leefden die veel later gerechtvaardigd bleken. Zijn verslag kan het omvangrijke NIOD-rapport natuurlijk niet vervangen. Het verhaalt vooral wat Kreemers zelf waarnam, of soms later reconstrueerde (bijvoorbeeld dat de minister en zijn woordvoerder onvoldoende, onjuist of te laat werden geïnformeerd). Hij beschrijft vooral wie wat waarom deed op Defensie, wat zijn ministerie bezighield of raakte in de publiciteit. En ook hoe de aanvankelijk volgzame media, die in 1993 nog vrijwel allemaal enthousiast waren over het Nederlandse aanbod aan de VN, na juli 1995 steeds kritischer werden.

Buiten twijfel lijkt dat Kreemers' getuigenis aangaande de, kalm genoteerde, cover-up-neigingen van de landmachttop sinds 11 juli 1995 een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan de overeenkomstige conclusie waarmee het NIOD minister De Grave twee weken geleden nogal pijnlijk verraste. Voor de auteur, die zijn congé kreeg als woordvoerder omdat hij, drie jaar geleden, al in de krant schreef wat zijn minister nu zo deed schrikken dat hij wilde aftreden, moeten de afgelopen weken bijzonder zijn geweest.

Bert Kreemers: De achterkant van de maan. Haagse schaduwen over Srebrenica. Prometheus, 185 blz. E15,–