Russische avant-garde

Het is ongeveer 92 jaar geleden gebeurd. Op een avond zaten David en Nicolai Boeroek, Elena Goero, Vasili Kamenski en Velimir Chlebnikov bij elkaar in Moskou. Toen zei David, of Elena: ,,We moeten het anders gaan doen!'' Of een van de andere drie. Ze vonden het een goed idee. Zo is het boekje Een val voor rechters ontstaan, een staaltje niet eerder vertoond drukwerk, op behangselpapier.

Het is nu te zien op de tentoonstelling De Russische Avant-garde, de collectie van de Judith Rothschild Foundation in het Museum of Modern Art. Het experiment beviel de kunstenaars goed. Daarna verscheen Een klap in het gezicht van de publieke smaak en toen deel twee van Een val en intussen was het hek van de dam.

Tussen 1910 en 1934 heeft zich in Rusland een explosie van creativiteit voltrokken, dat wil zeggen de kunst sloeg niet een nieuwe richting in maar binnen een paar decennia alle nieuwe richtingen tegelijk. Futurisme, kubisme, expressionisme, wat heb je verder aan -ismen, de Russen hebben toen vooraan gewerkt bij de afbraak van het traditionele, het klassieke, het overgeleverde.

Het gebeurde ook in West-Europa. Al eerder hadden Picasso en Braque het hunne gedaan om het publiek een nieuwe manier van kijken bij te brengen. Marcel Duchamp heeft in 1913 met zijn fietswiel op een krukje een revolutie ontketend waar we nog niet overheen zijn. De Russen zijn naar West-Europa gegaan. Daar hebben ze veel opgestoken. Dat is duidelijk te zien. Een bezoek aan Marinetti, Picasso, later het kijken naar Mondriaan is niet vergeefs geweest. Maar deze tentoonstelling bewijst weer dat de Russen consequent als een club de vernieuwing hebben volgehouden, in alle richtingen. Het is een tentoonstelling als een sprookjesboek.

Telkens als ik zo'n verzameling werk van de Russische avant-garde zie, kom ik tot de ontdekking dat het nieuw is gebleven. Op het oude, verschoten, gerafeld papier, in kleuren die door het licht van bijna een eeuw zeker zijn veranderd, de herhaalde ontdekking: nieuw.

Anders gezegd: dit hoort tot het soort ontdekkingen waarvan je niet genoeg kunt krijgen. En daarop volgt de vraag zonder antwoord: wat is er toen in Moskou gebeurd, wat in de hersens van deze kunstenaars?

Ik ben de enige niet die dat wil weten. Althans, op zondagmorgen kwart voor tien stond voor het museum al een rij tot om de hoek. Het publiek heeft tot iedere tentoonstelling een bepaalde verhouding. Ga je in het Rijksmuseum met je rug naar De Nachtwacht staan, dan kun je iemand zien die bij de aanblik van het meesterwerk zijn das rechttrekt. Surrealisten nodigen de beschouwers uit om er met hun neus bovenop te gaan staan. Ik noem de naakte poppenconstructies van Hans Bellmer. Van Gogh wekt op het ogenblik devotie, het maakt niet uit of de mensen naar de Postbode of de Zonnebloemen kijken.

In de zalen van het MoMa zag ik mensen grote ogen opzetten, zoals kinderen die naar een sprookje luisteren. En toen? En toen? Toen werd het 1934 en toen ging Stalin er zich mee bemoeien, en toen was het sprookje uit.

De Russen van de avant-garde maakten graag een livre d'artiste, of een kunstenaarsboekje, kun je ook zeggen. Dat is een boekje waarvan de maker de vervaardiging zoveel mogelijk zelf in handen heeft gehouden: de tekst bedacht, de letter ontworpen, desnoods ook zelf uit aardappels gesneden (probeer het zelf eens; met de binnenband van een fiets- of autoband gaat het ook), het papier uitgezocht, en het druk- en bindwerk gedaan. Completer dan in zo'n kunstenaarsboekje kan de kunstenaar niet aanwezig zijn. Wie een dergelijk boekje heeft bemachtigd, kent het gevoel. Hij en zij niet te na gesproken, heeft de kunstenaar zelf op zak, of in ieder geval zijn ziel.

Het is een mystieke ervaring die we dus niet nader kunnen uitleggen. Een bezoek brengen aan een huis, een werkkamer, een atelier is van dezelfde orde.

Vorig jaar is in het Stedelijk Museum een deel van de collectie Chardzijev te zien geweest. Daar gedroeg het publiek zich op dezelfde manier als in het MoMa. Omstreeks die tijd heeft Antiquariaat Schuhmacher in Amsterdam een catalogus doen verschijnen met kunstenaarsboekjes van de Russische avant-garde. Van het gedicht A Game in Hell van V. Chlebnikov en A. Kroetsjenych, met litho's van Olga Rozanova en Kazimir Malevitsj (1914) was toen een exemplaar te koop. Ik heb er nog over gedacht. Nu schoot het me weer te binnen. De beste tentoonstelling zijn de tentoonstellingen waar je je moet bedwingen. De catalogus is trouwens ook heel mooi.

`De Russische Avant-garde' is nog tot 2 mei te zien, woensdag gesloten.