Over de betoging durft niemand nu te praten

De Pekingse Automobiel- en Motorenfabriek dreigt failliet te gaan. Maar de (oud-)werknemers geven zich niet zonder slag of stoot gewonnen. Een uitzonderlijke, verzwegen demonstratie in Peking.

Ze is 66, en ze heeft hoogrode konen. Ze is alweer zestien jaar met pensioen, want je mag er in China als vrouw al op je vijftigste mee stoppen. Ze heeft kort haar en draagt een roze nylon colbertje op een grijze broek. Ze lijdt al jaren aan hoge bloeddruk, vertelt ze, en daarvoor moet ze dagelijks haar medicijnen innemen. Die medicijnen zijn niet goedkoop, maar gelukkig kan ze de bonnetjes declareren bij de fabriek waar ze vroeger werkte. Alleen het laatste jaar lukt dat niet meer zo goed: de Pekingse Automobiel- en Motorenfabriek in het hartje van de stad dreigt failliet te gaan, en daarmee worden ook haar kosten niet meer vergoed. De irritatie daarover liep zo hoog op dat zo'n tweehonderd gepensioneerden drie weken terug besloten tot iets uitzonderlijks: een openbare demonstratie. Ze eisten dat de fabriek zijn schulden aan de gepensioneerden zou inlossen, en ze wilden dat de directie van de fabriek ze daarover persoonlijk te woord zou staan.

De demonstratie werd geleid door iemand die goed kon organiseren: hij had die kennis opgedaan als kaderlid van de communistische partij. De demonstratie trok de aandacht van de internationale pers, en werd daarmee groot, maar ook heel gevoelig nieuws. Geen van de fabrieksarbeiders durft te refereren aan de demonstratie van drie weken terug: de mensen houden stijf hun mond, of zeggen dat ze helemaal niets af weten van een demonstratie bij hun bedrijf.

Maar de ontevredenheid is groot. De duizenden arbeiders wonen allemaal bij elkaar in een serie flats die naast het fabrieksterrein zijn gelegen. Er is een vrolijk roze geschilderde kleuterschool en de fabriek heeft ook zijn eigen ziekenhuisje. Er lopen overdag veel mensen op straat. ,,Niemand gaat meer naar zijn werk, want al het werk in de fabriek ligt stil'', vertelt een oudere vrouw met glimmend gouden voortanden. ,,Ze hebben de grond al verkocht aan de Chinese televisie, en wij moeten ook uit onze woningen.'' De vrouw spreekt geen woord Engels: het enige dat ze kan zeggen zijn de letters CBD. Die staan voor Central Business District: het gedeelte van de stad dat de overheid in Peking tot een financieel- en dienstencentrum wil maken. Industrie hoort daar niet in thuis: de vele fabrieken en fabriekjes die onder Mao Zedong's leiding in het centrum van de stad gevestigd werden, worden nu allemaal verbannen naar de verre buitenwijken van de stad: ze zijn te vervuilend en de grond in het centrum is veel te duur voor gebruik als fabrieksterrein.

De Pekingse Automobiel- en Motorenfabriek zal zo'n verhuizing waarschijnlijk niet overleven: ze maken voertuigen waar weinig markt voor is en de lasten van de fabriek zijn hoog: staatsarbeiders hebben veel meer rechten op voorzieningen dan arbeiders in de prive-sector, en vooral de grote hoeveelheid gepensioneerden drukt zwaar op het bedrijf. Als de fabriek sluit, dan worden ook de woningen afgebroken.

,,Wij arbeiders zijn aan alle kanten belazerd'', stelt een jonge vrouw op luide toon. De omstanders kijken wat schichtig om zich heen: sommigen mompelen het woord `politie', want het gerucht gaat dat er sinds de demonstratie politieagenten in burger op het terrein zijn. Het kan haar allemaal niets meer schelen, ze is gewoon razend. ,,We kunnen geen kant meer op. Eerst halen ze ons over om al ons spaargeld te steken in de aankoop van ons huis, en dan besluiten ze doodleuk om onze huizen plat te gooien. Ja, we krijgen wel compensatie, maar die is niet genoeg om iets nieuws te kopen op de vrije markt.'' Dan wijst ze op de roze kleuterschool. ,,Mijn dochtertje gaat daarheen, maar het is niet te betalen. Ik krijg 200 yuan (28 euro) per maand nu de fabriek stil ligt, en die school kost 500 per maand. Hoe moet ik dat ophoesten?'' Gelukkig kunnen haar ouders nog bijspringen: hun pensioen ligt hoger dan de vergoeding die de jonge arbeiders die thuis zitten van de fabriek ontvangen. De vrouw is kwaad op alles. Ze wijst op een klein overdekt marktje dat tussen de flats ligt. ,,Dat is opgezet door de fabrieksleiding, en die melkt de boel uit. Ze vangen huur van de boeren die er werken, en dacht je dat dat in de fabriekskas ging? Welnee, ze spekken allemaal hun eigen zakken.'' En zo komt ook zij weer terug op een veelgehoorde klacht in de straten van Peking: iedereen met macht is corrupt, de rijken worden steeds rijker en de armen steeds armer.