Leven in voorlopigheid

De moderne mens moet eigenhandig ontdekken wat zinvol is en waaruit een goed leven bestaat. Hij neemt daartoe steeds vaker zijn toevlucht tot boeken en boekjes over `levenskunst'. Men hangt niet langer een bepaalde filosofie aan, men hangt de filosofie zelf aan. Dat kan wel eens ontaarden in wijsgerig karaoke, maar toch valt er veel te zeggen voor een filosofische levenshouding.

Mijn leven is een puinhoop. Van buitenaf ziet het er allemaal nog gelijkmatig en geslaagd uit, binnenin ontbreekt iedere regie. Alles wat wezenlijk is, valt uit mijn handen. Vraag me wie ik ben, en er volgt alleen gestamel. Vraag me hoe het verder moet met de wereld, en er verschijnt een groot vraagteken op mijn gezicht. Wat is geluk? Ik steek een onmachtig betoog af. Vraag me hoe ik omga met liefde en dood, en zuivere paniek maakt zich van me meester. Liefde blijkt ongrijpbaar, de dood lijkt niets liever te willen dan mij grijpen. 's Nachts in bed lijkt het alsof alles in het leven zich buiten mij om voltrekt. Het grootste deel van mijn leven is al voorbij en ik heb nog steeds het gevoel dat het nog maar nauwelijks is begonnen. In mijn dromen hol ik achter de tijd aan, die me steeds weer te snel af is. Ik ben een speelbal van krachten waar maar geen vat op te krijgen is, al mijn woorden vervliegen bijna nog voor ze mijn mond hebben verlaten. Uit paniek vlucht ik in de roes, de wezenloze verdoving. Heel mijn bestaan komt me vluchtig en vormeloos voor.

Gelukkig is het de maand van de filosofie.

Filosofie is in de mode, maar die mode duurt nu alweer zo lang, dat je je af moet vragen of er geen sprake is van iets wat duurzamer is – het lijkt soms wel een heuse beweging. Algemeen is men het erover eens dat de huidige mens er zo ongeveer aan toe is zoals ik mezelf net beschreef: zijn bestaan ontbeert een grote samenhang, zijn doen en laten wordt niet gesteund door Geloof, de buitenwereld trekt grotendeels betekenisloos aan hem voorbij en het knagende besef van eindigheid wordt behendig weggemoffeld achter een glanzende façade van een permanente bevrediging van impulsieve behoeften. De enige nog overgebleven ideologie in de westerse wereld, het kapitalisme, genereert een leegte waarop ze zelf slechts één onbevredigend antwoord heeft: het consumentisme. De massacultuur is niet in staat om uitwegen buiten zichzelf te bedenken, zodat alle geestelijke stromingen die de laatste jaren nieuw houvast en betekenis hebben beloofd, vluchtig en modieus gebleken zijn.

Dat is de vloek van de massacultuur: waar behoefte gevoeld wordt, ontstaat als vanzelf een markt; en er is geen markt die niet oververzadigd raakt. Alles wat zich authentiek voordoet, wordt al heel gauw vervalst en geïmiteerd; binnen de kortste keren valt nauwelijks meer uit te maken wat echt is of onecht, en voor je weet heb je er helemaal je buik vol van. Een woord als zingeving heeft binnen een korte tijd al een onverdraaglijk weeë klank gekregen; het roept onmiddellijk associaties op met halfslachtige priesters en gemeenzame dominees, die het evangelie van de Geruststellende Grote Woorden verspreiden en alle onontkoombare verschrikkingen van het menselijk bestaan toedekken met evenzoveel quasi-spirituele doekjes voor het bloeden. Terwijl je ook wel weet dat het daar letterlijk om gaat, dat het uitgangspunt niet onzinnig is: nu de mens er alleen voorstaat, zal hij opnieuw betekenis moeten geven aan een bestaan dat de afgelopen eeuw juist van iedere zin ontdaan lijkt. Of zelfmoord plegen, desnoods. In ieder geval niet blijven roepen dat het leven geen zin heeft.

In de huidige filosofische mode duikt het woord zingeving niet vaak meer op, waarschijnlijk door de zweem van esoterie en holisme die eromheen hangt. Het modewoord van de huidige populaire filosofie is levenskunst. In onze onttoverde wereld moet de mens roeien met de riemen die hij heeft, daar komt het in het kort op neer. Hij kan zich niet langer beroepen op God of op het Nieuwe Jeruzalem, hij kan zijn ellendige toestand niet verhalen op een hogere of lagere instantie, zijn beslommeringen krijgen van buitenaf geen zinvolle context aangereikt. De postmoderne mens moet op eigen kracht zijn houding tegenover zichzelf en tegenover de buitenwereld bepalen. Hij moet eigenhandig ontdekken wat zinvol is, waaruit een goed leven bestaat – met een beetje hulp van de oude Grieken. Zoals Joep Dohmen schrijft in de inleiding bij zijn omvangrijke bloemlezing Over levenskunst. De grote filosofen over het goede leven: ,,Tegen de achtergrond van deze ontwikkeling is het geen gewaagde hypothese dat levenskunst in de nabije toekomst de christelijke religie zal opvolgen. Religie zal nooit verdwijnen, maar ook geseculariseerde mensen hebben behoefte aan zin en daarmee aan levenskunst.'

Wat is levenskunst? Of beter: wat wil levenskunst zijn? Het is een vorm van praktische filosofie, die zich direct richt op de individuele menselijke ervaring. Het was Michel Foucault, die terwijl hij al met één been in het graf stond, het filosofische zoeken naar het goede leven herontdekte: `Waarom zou niet iedereen een kunstwerk van zijn leven kunnen maken?' De Duitse filosoof Wilhelm Schmid, die als geen ander heeft meegewerkt aan de heropleving van de levenskunst, stelt het in zijn Filosofie van de levenskunst onomwonden vast: `Levenskunst is datgene wat resteert na het einde van de grote ontwerpen die de mensheid gelukkig moesten maken: de terugkeer tot het zelf, tot het afzonderlijke individu, dat opnieuw begint zichzelf vorm te geven, het leven vorm te geven en niet de oude illusies te koesteren.'

Zo gesteld klinkt het alsof de levenskunst de pijnlijk afwezige grote verbanden noodgedwongen moet vervangen met, vergeef me de woordspeling, een noodverband. De mens moet er het beste van zien te maken. O, die oude illusies: metafysica, transcendentie, ze zijn uit ons vocabulaire verdwenen. Je dient je eigen vervulling te worden. Zulke vaststellingen komen gevaarlijk in de buurt van allerlei hedendaagse fenomenen waaraan de nieuwe levenskunst zich nu juist wil onttrekken. De huidige pleitbezorgers van de levenskunst voelen zich dan ook steeds opnieuw gedwongen om vast te stellen wat levenskunst absoluut niet is. Dohmen: ,,Levenskunst is echt iets anders dan lifestyle.' En wat de levenskunst vooral ook niet wil zijn, is egocentrisch. De zorg voor het zelf, valt zowel bij Schmid als Dohmen steeds opnieuw te lezen, leidt automatisch ook tot de zorg voor de omgeving. De ware levenskunstenaar houdt voortdurend zijn relatie met de maatschappij in het oog. Nog een misverstand: het zoeken naar persoonlijke levensregels mag niet verward worden met enkelvoudig moralisme, want als de levenskunst volgens Schmid ergens voor op zijn hoede wil zijn, is het wel verstarring. Iedere leefregel moet te zijner tijd ook weer losgelaten kunnen worden. Levenskunst betekent ook kunnen leven in voorlopigheid.

Dat is de indruk van de levenskunst die je aan het lezen van Schmids boek overhoudt: de mens die zichzelf op de been houdt door een mengeling van betrokkenheid én afstandelijkheid. Hij dient zich over te leveren aan het leven en het te beheersen. Een mens moet de lust in zijn leven toelaten, maar hij moet zich er alleen door laten overweldigen wanneer hij dat wil. Een mens moet zijn eigen sterfelijkheid onder ogen durven zien, maar alleen om daardoor het leven zelf des te steviger te omarmen. Een mens moet een gezond leven nastreven, maar dat mag niet betekenen dat hij de waarde van pijn en ziekte miskent. Een mens mag zo nu en dan best wat tijd verspillen, als hij zich er maar van bewust is dat hij tijd verspilt. Hij mag toegeven aan zijn woede, als hij haar maar weet te gebruiken, hij mag ten prooi vallen aan twijfel en melancholie, wanneer hij er maar niet door wordt meegesleept. Enzovoort. De levenskunstenaar leeft doordacht, hij is zich overal bewust van, zelfs van zijn onbewuste driften en impulsen.

Dat levenskunst per definitie een individueel gebeuren is, en dus door een ieder op zich zal moeten worden ingevuld, maakt dat er als filosofie slechts op een voorwaardelijke toon gesproken kan worden. Juist die inherente vaagheid verschaft de tegenstanders hun ammunitie. Dohmen neemt in zijn intelligente bloemlezing, die de geschiedenis van de levenskunst volgt, van de oude Grieken tot aan huidige vertegenwoordigers als Schmid en Martha Nussbaum, ook twee fervente bestrijders van de levenskunst op, de scepticus Sextus Empiricus (ca 150-220, de naam zegt het al) en de Duitse conservatief Cristoph Martin Wieland (1733-1813). De eerste beweert glashard dat levenskunst als filosofische leer niet bestaat, domweg omdat iedereen er iets anders onder verstaat. `Als er geen vastgrijpende voorstelling is, kan er ook geen instemming daarmee zijn en dus ook geen kennis. En als er geen kennis is, kan er ook geen systeem opgebouwd uit vormen van kennis bestaan, dat wil zeggen kunst.'

Iedere levenskunstenaar apart vindt wel een levenskunst waaronder hij zijn natuurlijke driften een plaatsje kan geven, voor alle gewenst gedrag is wel ergens filosofisch onderdak te vinden onder de ruime noemer levenskunst. Wieland stelt dat het leven een zaak van vallen en opstaan is, en dat pogingen om een filosofisch systeem te ontwerpen dat een soort levensrecept kan zijn, een onzinnige bezigheid zijn. Kort gezegd, het geluk van de mens is afhankelijk van de mate waarin hij zijn geluk ervaart, niet van zijn definitie van geluk.

Het is ook gemakkelijk schamperen op al die blijmoedig uitgedragen levenskunst – de stapel boeken overziend die allemaal kunst, leven of beide woorden in hun titel hebben, geeft onherroepelijk aan dat het hier om een mode gaat, die in het ergste geval zijn beslag krijgt in een soort filosofisch Triviant, zoals in de bloemlezing van filosofische uitspraken Denkprikkels (`Neem zomaar een uitspraak uit dit boek. Kijk ernaar. Sluit de geluiden uit de omgeving even buiten. Laat de uitspraak je hersenen binnendringen en gedachten opwekken.') Populaire filosofie is tegenwoordig vooral bloemlezen, de uitspraken van de grote filosofen op je eigen leven betrekken, zodat dat leven bij ontstentenis van vanzelfsprekende zin toch in ieder geval de glans van betekenis krijgt. Kijk je er zo naar, en dan is die veelbesproken levenskunst niets anders dan de zoveelste variatie op de zoektocht naar het bewuste, zinnige leven.

Ooit was het de populaire psychologie die de onzichtbare verbanden tussen mensen blootlegde (Ik ben OK, jij bent OK), toen was het de esoterische wetenschap van de New Age die voor de mens een mooi plaatsje in het universum reserveerde, met pseudo-openbaring en al (De Celestijnse belofte), en nu dient de geschiedenis van de filosofie als een reusachtige postmoderne grabbelton, waarin iedereen uiteindelijk wel vindt wat hij zoekt. Een beetje Plato, een fragment Nietzsche, een mooi citaat van Emerson en een epigram van die even bedachtzame als wereldse levenskunstenaars Seneca en Marcus Aurelius – zo wordt die herontdekte levenskunst ineens niets anders dan een paraplu waaronder het goed schuilen is. Men hangt niet langer een bepaalde filosofie aan, men hangt de filosofie zelf aan.

Ik filosofeer, dus ik ben.

Is dat erg? De Amerikaan Daniel Boorstin besluit zijn inleiding bij zijn onderhoudende overzicht De zoekende mens. Grote denkers uit de westerse geschiedenis met twee zinnen die niets te raden overlaten: ,,Dit is een verhaal zonder einde, omdat we ons wezen als mens blijven onderzoeken in de vorm van het eeuwige waarom. En dan zien we hoe we van het zoeken van een zin het punt bereiken waarop we de zin vinden in het zoeken zelf.' Voor de nadruk gooit Boorstin er nog een citaat van Cervantes tegenaan: ,,De weg is altijd beter dan herberg.' Het is een bewering die niemand heftig zal bestrijden, de reis is mooier dan de aankomst, enzovoort, maar wie de zin in het zoeken zelf legt, loopt het gevaar dat hij zijn voorgangers het werk laat doen. De huidige filosofische mode maakt de filosofie tot een intellectueel gezelschapsspel. Tamme boekjes als De kunst van het leven (oorsponkelijk verschenen als The Meaning of Things) van de Engelsman A.C. Grayling, waarin quasi-filosofische interessant gedaan wordt over de dingen waar we in onze levens mee te maken krijgen, of het aardiger Zeno en de schildpad. Denken als de grote filosofen, waarin op populaire toon de belangrijkste filosofen de revue passeren, versterken het beeld van een filosofie die nergens anders toe dient dan al te gevestigde en welvarende levens een beetje op te fleuren door het soort ervaring waarin de huidige massacultuur uitblinkt: de schijnervaring. Denken als de grote filosofen, de kunst van het leven volgens de grote filosofen (waar zijn de kleine filosofen toch gebleven? Valt er van hen helemaal niks te leren?) – zulke boeken organiseren een filosofische karaoke, waarin we met de microfoon in de hand zalig ongeremd Socrates en Schopenhauer en Foucault kunnen nazingen. Voor een avondje.

Dat is geen levenskunst, zullen Schmid en de zijnen ogenblikkelijk beweren. Levenskunst is zo goed en kwaad als het kan je eigen leven vorm geven – en wie niet wil dat zijn leven betekenisloos aan hem voorbijtrekt of vlucht in de roes of de verdoving, of in een tot niets verplichtend grappig cynisme, zal op zijn minst een poging moeten wagen. De held van dit soort levenskunst is Michel de Montaigne; de Franse essayist is het toonbeeld van wat Schmid in een van de interessantste hoofdstukken van zijn boek een essayistisch leven noemt. Je kunt het ook proefondervindelijk leven noemen, een leven dat steeds weer getoetst wordt aan de persoonlijke ervaring. De Duitse moeizaamheid waarmee Schmid zelf probeert aan te geven hoe de levenskunstenaar zijn houding tegenover het menselijk bestaan vindt, verdwijnt als sneeuw voor de zon wanneer hij het over Montaigne heeft. Proefondervindelijk leven, dat is een leven vrij van rotsvaste zekerheden, van een geest die zichzelf nergens voor afsluit, die zich niet verschuilt achter dogma's of krampachtige overtuigingen, die telkens weer bereid is zijn stellingen te toetsen aan de ervaring. Niets staat bij voorbaat vast. Geen standpunt is eeuwig, tegenstrijdigheid wordt niet uit de weg gaan, geen enkele menselijke ervaring wordt vooraf waardeloos terzijde geschoven. Conclusies zijn altijd voorlopig. Het menselijke bewustzijn onderhoudt een voortdurende relatie met de buitenwereld. Van een filosofisch systeem is geen sprake, enkel van een levenshouding die je filosofisch kunt noemen. Ik blijf moeite houden met de precieuze, zelfgenoegzame bijklank van het woord, maar als zo'n houding levenskunst moet heten – vooruit dan maar.

Joep Dohmen (red.): Levenskunst. De grote filosofen over het goede leven. Ambo, 399 blz. E22,90

Wilhelm Schmid: Filosofie van de levenskunst. Inleiding in het mooie leven. Vert. Carola Kloos. Ambo, 156 blz. E18,11

A.C. Grayling: De kunst van het leven. Vert. Hans Bosman. Contact, 224 blz. E27,50

Daniel Boorstin: De zoekende mens. Grote denkers uit de westerse geschiedenis. Vert: Paul Syrier. De Arbeiderspers, 416 blz. E28,95

Nicholas Fearn: Zeno en de schildpad. Denken als de grote filosofen. Vert. Nico Groen. Anthos, 213 blz. E19,-

Graham Higgin: Denkprikkels. Filosofie in fragmenten. Verschillende vertalers. Nieuwezijds, 234 blz. E19.90