Het publiek weet wel beter

Het Nederlandse Fonds voor de Film wil marktgerichte films gaan bevorderen. De roep om `meer hits' is een levensgevaarlijke ontwikkeling voor de kunstzinnige film.

Het NIPO onderzocht in opdracht van het Nederlands Fonds voor de Film kortweg `Filmfonds' het imago van de Nederlandse speelfilm. Ook al associeert 36 procent van de bevolking film in Nederland nog steeds met `seks', 43 procent vindt dat de kwaliteit van de Nederlandse speelfilm verbeterd is. Bij een presentatie van de resultaten betoonde Filmfondsdirecteur Toine Berbers zich zeer tevreden. Ik zou dat niet zijn bij dit soort cijfers, maar kennelijk wordt er hoop geput uit de conclusie van de onderzoekers dat er `potentieel' is. Zo meldt een samenvatting van het rapport: ,,21 procent van het publiek gaat `tamelijk waarschijnlijk' of `zeer waarschijnlijk' de komende twaalf maanden naar een Nederlandse film. Dat kan een bezoekersaantal van drie miljoen opleveren en een marktaandeel van vijftien procent. De boodschap hier luidt: iets meer hits kunnen het bezoekerstal behoorlijk opkrikken.

Dus: de markt is rijp voor een product, als er maar `iets meer hits' gemaakt zouden worden. Het marktcredo heeft bezit genomen van het Filmfonds, waar de overgebleven beambten als zombies smeken om `Iets meer hits! Iets meer hits!'.

Het marktvirus is verspreid door sociaal-democratische politici met een aangeboren wantrouwen tegen elitaire cultuur. Ze worden gesteund door producenten en andere ondernemers, die menen dat er wat te verdienen valt aan het publiek geven wat het publiek wil.

Het samenhangende pakket stimuleringsmaatregelen (fiscale faciliteiten, betere samenwerking met de omroepen) voor de Nederlandse film werd in 1997 gelanceerd door staatssecretaris Van der Ploeg (PvdA, Cultuur), staatssecretaris Vermeend (PvdA, Financiën) en minister Wijers (D66, Economie). Over het verloop van de zogeheten c.v.-regeling, en vooral het misbruik ervan, is al veel gezegd en geschreven. De essentie is dat de regeling een paar schandalen heeft opgeleverd, en een bescheiden aantal door publiek én filmpers hoog gewaardeerde films (Minoes, The Discovery of Heaven, Nynke). Het filmbedrijf wil graag voortzetting van de maatregel, de nieuwe staatssecretaris van Financiën (Bos, PvdA) werkt niet heel enthousiast mee. Een nieuwe Filminvesteringsaftrekregeling (FIA) is voor anderhalf jaar afgekondigd.

Intussen maakte het Filmfonds bekend een recettebonusregeling in te willen voeren. Hoe en wat, dat moet nog nader uitgewerkt worden, maar de centrale gedachte is dat succesvolle producenten, dat wil zeggen producenten van films waar veel mensen naar komen kijken, beloond moeten worden door ze meer geld ter beschikking te stellen voor een volgend project.

Er zijn aanwijzingen dat de directie van het Filmfonds verder wil gaan in het bevorderen van hits. Directeur Berbers heeft al eens geopperd dat het Fonds zou moeten kunnen ingrijpen in de eindmontage van films waaraan een financiële bijdrage is geleverd. Een volgende stap zou zijn: dwingende advisering over de casting en meer aandacht voor het marketingplan dan voor het scenario. Een centralistische opstelling van het Filmfonds als Rijksbureau voor de Marktgerichte Film is in de toekomst niet uitgesloten. Het zou stroken met de dadendrang van de bestuursvoorzitter van het Filmfonds, Felix Rottenberg (PvdA). Zijn bestuur benoemde vorig jaar als opvolger van directeur Ryclef Rienstra, die vooral films steunde die subsidie nodig hadden, een `onbevangen buitenstaander met een frisse blik'. Je zou ook kunnen zeggen dat de achterstand in dossierkennis van deze nieuwe directeur, de onervaren Berbers, behulpzaam was bij het tot stand brengen van een nieuw soort fonds, waar de wens gehonoreerd wordt van het bestuur tot meer marktgerichte, minder elitaire films. Ook de Federatie Filmbelangen, het lobbyorgaan van de `filmindustrie', is daar blij mee. Ik hoorde een producent nog deze week de verwachting uitspreken: `Berbers doet heus wel wat wij zeggen'.

Het slachtoffer van deze ontwikkelingen dreigt de kunstzinnige, niet-marktgerichte film te worden. Het is niet verkeerd als de overheid met gerichte maatregelen wil bevorderen dat er meer films gemaakt worden die een breder publiek interesseren. Het is te billijken dat een deel van het budget van het Filmfonds (ruim 22 miljoen gulden in 2001) daaraan besteed zou worden, mits het Fonds zich niet gaat bemoeien met taken van filmproducenten en filmmakers, zoals casting en montage.

Levensgevaarlijk zou het zijn als elke film alleen nog langs de meetlat van de markt beoordeeld zou worden. Voor een deel is dit al het geval. Er kan geen film gemaakt worden zonder bijdragen van een publieke omroep, en omroepen vertonen in toenemende mate de neiging om rekening te houden met verwachte kijkcijfers. Als nu ook nog eens de enige echte filmsubsidiënt opbrengsten en marketingplannen belangrijker gaat vinden dan ideeën en scenario's, dan kan een groot aantal filmmakers zich beter laten omscholen.

Er zijn films waarvan de waarde niet in cijfers valt uit te drukken. De omweg (productie: Matthijs van Heyningen, regie en scenario: Frouke Fokkema) kostte 2,3 miljoen gulden (verzameld in een c.v.) en trok in de bioscoop 228 bezoekers. Die 10.000 gulden per bezette stoel wordt wel eens aangevoerd als ridicuul voorbeeld van het gebrek aan marktgerichtheid van de Nederlandse film. Maar had die film dan niet gemaakt mogen worden? Ik heb ook bezwaren tegen De omweg, maar ben blij dat de film bestaat en deel uitmaakt van het Nederlandse filmerfgoed. Het is de persoonlijke en geprononceerde uitdrukking van het verhaal van filmauteur Fokkema en haar geobsedeerdheid door Thomas Bernhard. Dat verhaal, over hartstocht, literatuur en sokken, had ik niet graag gemist. Er zijn marktgerichte c.v.-films, zoals de in het buitenland goed verkochte actiefilms Down en Soul Assassin, die een minder noodzakelijke bijdrage aan onze filmcultuur hebben geleverd.

Vaak wordt door voorstanders van de marktgerichte filmpolitiek het axioma gebezigd dat filmkunst alleen maar kan gedijen in de schaduw van een gezonde filmindustrie. De Federatie Filmbelangen hanteert een richtnorm van een omzet voor de sector van 100 miljoen euro per jaar als noodzakelijke bodem.

Het axioma is eenvoudig te weerleggen. Interessante, internationaal erkende filmkunstenaars als Manoel de Oliveira, Michael Haneke, Peter Jackson en Claude Goretta kwamen voort uit landen zonder noemenswaardige filmindustrie: Portugal, Oostenrijk, Nieuw Zeeland, Zwitserland. Het pleidooi voor een zelfstandige Nederlandse filmindustrie, waar veel geld in omgaat, lijkt steeds meer op een hersenschim.

Het publiek weet wel beter. Zeer Nederlandse en kunstzinnige c.v.-films als Minoes en Nynke waren publiekslievelingen. Uit het opinieonderzoek van het Filmfonds bleek dat een grote meerderheid helemaal niet wil dat Nederlandse films op Amerikaanse proberen te lijken. Ze geven de voorkeur aan Nederlandse verhalen en acteurs.

Bij zulke ontroerende trouw aan de kleine zelfstandige heb je geen marketing meer nodig, laat staan een industrie. De omgekeerde stelling lijkt eerder van toepassing: een filmklimaat waar filmkunstenaars en onafhankelijke geesten kunnen gedijen `gekken' als Peter Jackson, nu regisseur van Lord of the Rings – biedt een behoorlijke basis voor de filmindustrie.