Het leven is mooi, maar waar is het?

Een natuurkundige die de leer van de zeeën onderzoekt met het oog op de belangen van de scheepvaart, dat is een hydrograaf. Op het eerste gezicht lijkt het een weinig poëtisch beroep en voor een romanticus als Allard Schröder nauwelijks aansprekend. Toch is het niet de eerste keer dat de auteur van succesvolle romans als Raaf (1995) en Grover (1999) in de huid kruipt van een op het oog dodelijk saai personage. En ook het element water, als alternatief voor of zelfs een vlucht uit aardse beslommeringen, is hem niet vreemd. In het titelverhaal van zijn bundel Het pak van Kleindienst (1996) probeert een duiker met behulp van een ingenieus pak, ontworpen door Gotthelf Kleindienst, voor eeuwig onder water te blijven. Zijn gedrag is een illusoire vlucht uit de gevangenis van zijn lichaam, illusoir omdat bevrijding pas gevonden kan worden in de dood.

Graaf Franz von Karsch-Kurwitz, de hydrograaf uit Schröders nieuwe roman, is al 56 jaar dood als het boek begint. In 1945 is hij in zijn vaderland, Duitsland, per ongeluk doodgeschoten door een Amerikaanse soldaat. Onverdiend, want van de nazi's had hij niets willen hebben. Sinds het einde van de Eerste Wereldoorlog leidde hij, meer dood dan levend, een teruggetrokken bestaan in een geblindeerde kamer, zijn verveling verdrijvend met opium.

Schröder stelt zich in De hydrograaf op als biograaf van deze fictieve edelman uit Pommeren. Op basis van Karsch' karige nalatenschap concludeert hij dat de man noch een tragisch, noch een ironisch personage is geweest, omdat hij `als zovelen in zijn tijd al een stem in het koor was geworden waar niemand tragisch of ironisch is.' Deze tijdsaanduiding wijst terug naar de periode voorafgaande aan de Eerste Wereldoorlog, die niet alleen het einde van de negentiende eeuw inluidde, maar ook het einde van Franz von Karsch' onschuld.

Zoals alle personages van Schröder is ook deze Karsch een buitenstaander, een man zonder veel talent, die onder druk van allerlei gebeurtenissen in een identiteitscrisis verzeild raakt. Om de precieze beschrijving van die innerlijke storm, een soort emotionele revolutie, is het de biograaf van Karsch te doen. Zoals de hydrograaf met zijn instrumenten de zeestromingen meet, zo peilt Schröder de ziel van zijn protagonist.

Spookbeelden

Als aanleiding neemt hij Karsch' laatste grote zeereis op de viermaster Posen, die in 1913 uit Hamburg vertrekt en zo'n drie maanden later in Valparaiso aankomt. Niet zozeer de reis zelf is belangwekkend, als wel de kleine voorvallen die de oorzaak zullen worden van de spookbeelden waarmee Karsch de rest van zijn bestaan verder moet leven.

Schröder houdt ervan zijn verhalen te gieten in mythologische vormen en zijn personages dragen veelal allegorische namen. Zo verwijst de tweede naam van de hydrograaf, Kurwitz, naar zijn dubbelzinnige relatie tot de zee. Ooit, in zijn jeugd, heeft de zee hem genezen van een huidaandoening en de eerste erotische gevoelens in hem opgewekt. Tegelijkertijd bakt de zee hem als onderzoeker de ene onbegrijpelijke poets na de andere.

Tegenpolen van de adellijke hydrograaf aan boord van de Posen zijn de salpeterhandelaar Moser en de gevaarlijk levende homoseksuele classicus met de omineuze naam Ernst Totleben. Moser is een nazi avant-la-lettre, een platvloerse figuur, verstoken van fantasie en behept met het rancuneuze gelijkheidsstreven van de verongelijkte kleine man, die hoopt dat oorlog uitkomst zal brengen. De classicus vertegenwoordigt de poëzie, de levens- en doodsdrift die de hydrograaf ontbeert. Totleben, bedenkt hij jaloers, `zocht de dood en daarmee het leven'. Totleben heeft `een verhaal van zijn leven gemaakt. Toegegeven, een smoezelig verhaal, maar toch. Hij Karsch had zich eigenlijk alleen maar verveeld.'

In een sombere overpeinzing vergelijkt Karsch zichzelf met Diogenes: hij leeft als een gevangene in een ton, maar nooit zal hij het deksel wegduwen en honend naar de wereld kijken, nooit met een lampje op klaarlichte dag op zoek gaan naar echte mensen, laat staan in het openbaar masturberen. `Het leven is mooi, Franz!', mijmert hij. `Ja, ja, maar waar is het?'

Even hoopt hij dat het leven zich aandient in de persoon van een nieuwe passagier die in Lissabon, waar de Posen een tussenstop maakt, aan boord komt. Franz is dan juist met Moser wezen passagieren en heeft in een café deze, aan Pessoa ontleende, regels onder ogen gekregen: `Ik ben niets. Ik zal nooit iets zijn. Ik kan ook nooit iets willen zijn. Afgezien daarvan koester ik alle dromen van de wereld.' Het eerste deel van de tekst verklaart hij van toepassing op zichzelf, het tweede niet en dat spijt hem.

Kort nadat hij van Totleben heeft geleerd dat niet Poseidon de god van de zee is maar Aphrodite, ontwaart hij aan de reling van de Posen de nieuwe passagier, een mooie blonde vrouw. `Het was alsof de onbekende niet in Lissabon aan boord was gekomen, maar dat ze hier, midden in de windstilten, door een hand uit de hemel op het dek van de Posen was gezet.' Asta Maris heet ze, de personificatie van de zee en voor Karsch even ondoorgrondelijk als het object van zijn studie. Hij wordt verliefd, er ontstaat iets dat op een affaire lijkt, maar Asta Maris blijkt nog minder toegerust voor het leven dan Karsch. Zij kan niet op eigen benen staan, de naam Asta wijst erop, en is gedoemd in haar rum- en opiumroes op de wereldzeeën te blijven ronddobberen.

In Valparaiso verdwijnt Asta Maris uit zijn leven en daarmee houdt ook zijn interesse voor de hydrografie op. `De zee trekt niet meer'. Eerder al was hij doordrongen geraakt van het inzicht dat de zee – evenals hijzelf – bestaat uit dode materie, die leeft.

Visioen

Maar hij wil niet langer dode materie zijn. De reis heeft hem een visioen bezorgd waarin een groot en onweerspreekbaar `nee' is opgeglansd. Een nee tegen de afzijdigheid, een nee tegen de verveling, een nee dat op den duur omslaat in een ja: aanvaarding van het leven, een drang om het lot in eigen hand te nemen en het deksel van de ton waarin hij gevangen zit op te lichten. Dit visioen is ingegeven door een schuldgevoel uit zijn jeugd. In plaats van zelf zijn militaire dienstplicht te vervullen heeft zijn vader indertijd bewerkstelligd dat een boerenjongen als remplaçant zijn plaats innam. Iemand heeft dus namens hem geleefd. Nu wil hij eindelijk zelf leven.

Inmiddels is de Wereldoorlog uitgebroken. Karsch neemt dienst en wordt in België in overspannen toestand aangetroffen tussen de linies, op zoek naar de remplaçant wiens plaats hij wil innemen om namens zichzelf te vechten en te sneuvelen. Het opsporen van de plaatsbekleder is een onvervulbare wens. Een mens leeft maar één leven, of zelfs dat niet.

De hydrograaf is geen historische roman, maar een verhaal over mensen die zich misplaatst voelen in dit bestaan en als gevangenen van de dood door het leven gaan. Het is een klein verhaal, dat Allard Schröder te vertellen heeft, over een ongelukkige `rite de passage', een mislukte ontsnapping van een benarde ziel uit zijn zelfgebouwde kerker. Maar al gebeurt er niet veel, klein is toch niet het goede woord, gegeven de weidsheid van de thematiek en de vervoerende taal. Taal waarin Schröder af en toe lijkt te zwelgen, zonder echter zijn zelfbeheersing te verliezen. Zijn zorgvuldig geformuleerde zinnen zijn stuk voor stuk beladen met betekenis en nooit eenduidig. Al vaker is opgemerkt hoe oogverblindend Schröder weersgesteldheden beschrijft – een talent dat hij ook in De hydrograaf ruimschoots etaleert –, maar minstens even bedwelmend zijn de fijne schakeringen waarin hij de emotionele gesteldheden van zijn hoofdpersoon schildert. Daarmee verricht hij een kunststuk dat van het onbetekenende levensverhaal van een hydrograaf literatuur maakt als het peilloos diep der zee.

Allard Schröder: De hydrograaf. De Bezige Bij, 204 blz. €18,50.