Een unieke familie van `plaetsnijders'

De prentuitgeverij van de familie De Passe behoorde tot de grootste visuele mediabedrijven van Europa. In twee boeken wordt de reusachtige productie beschreven.

De Nederlandse beeldcultuur is in vroeger eeuwen in hoge mate bepaald door prenten. Wij kunnen ons nauwelijks meer een idee vormen van de enorme bedrijvigheid die graveurs en etsers in de zestiende en zeventiende eeuw aan de dag legden, noch van hun levendige handel, via uitgevers en boekhandelaren of vanuit het eigen atelier. Ook schilders zagen het belang van de prentkunst in. Veel schilders die de burijn niet zelf hanteerden, lieten hun voorstellingen reproduceren door graveurs, `plaetsnijders', om ze zoveel mogelijk bekendheid te geven. Een kunsttheoreticus als Samuel van Hoogstraeten ried dit ook met nadruk aan: `laet dan vry uwe werken in print uitkomen, zoo zal uwen naem te spoediger al de werelt over vliegen'.

Net als bij schilders was het in de plaatsnijdersbranche niet ongewoon dat kinderen in de voetstappen van hun vader traden. Zo ook bij de familie De Passe die in de zeventiende eeuw een internationale reputatie genoot. Vader Crispijn de Passe (1564-1637), zonen Crispijn de Jonge, Simon en Willem, en dochter Magdalena werkten als ontwerpers, graveurs en uitgevers in de Nederlanden, Duitsland, Parijs, Londen en Kopenhagen. De drie zonen traden periodiek in dienst van buitenlandse vorsten, zoals Lodewijk XIII en Christiaan IV van Denemarken, voor wie ze omvangrijke opdrachten uitvoerden.

De mobiliteit van de Zeeuwse vader De Passe die in Antwerpen, Aken, Keulen en Utrecht woonde en werkte, hing samen met zijn commerciële inzicht, maar vooral met zijn doopsgezinde overtuiging. Omdat zijn geloof door het katholieke gezag niet langer werd getolereerd, moest De Passe senior in 1588 Antwerpen verlaten, en kreeg hij jaren later, mét alle andere doopsgezinden, het consigne ook uit Keulen te vertrekken. Alleen in Utrecht, waar hij van 1611 tot zijn dood in 1637 werkte, veroorzaakte zijn geloof geen enkel probleem.

Crispijn de Passe de Oude was een talentvol kunstenaar, een intellectueel die het Latijn beheerste, en een uitgever die een succesvol ondernemer werd. Ondanks zijn gedwongen verhuizingen lukte het hem elke keer opnieuw zijn bedrijf tot bloei te brengen. De medewerking van zijn kinderen droeg daar ongetwijfeld toe bij. De zonen begonnen hun werk te signeren op hun zeventiende jaar, de dochter deed dit al op haar veertiende. Deze Magdalena, een soort wonderkind, zou zich later onderscheiden als uitvindster van de bedrukte slaapmuts, een kledingstuk voor de betere milieus, wat haar een octrooi van de Staten-Generaal opleverde. De mutsen werden gedecoreerd met portretten van Europese machthebbers die de protestantse zaak voorstonden of met uitbeeldingen van veldslagen waarbij de katholieke vijand het onderspit dolf.

Moraal

De gezamenlijke productie van de De Passe's telt duizenden prenten en vele prentenboeken van doorgaans hoge kwaliteit, met zowel religieuze als profane onderwerpen. Het is de verdienste van Ilja Veldman, hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Vrije Universiteit, dat zij na jarenlange speuracties in musea, bibliotheken en archieven, nu de familie De Passe uit de mist van de geschiedenis heeft gehaald. In een voorbeeldige monografie zijn levensgeschiedenissen en kunsthistorische analyses op soepele wijze met elkaar in verband gebracht en in een afgewogen cultuurhistorische context gevat. Of dat niet genoeg was schreef Veldman even geanimeerd nog een tweede monografie, speciaal over de door De Passe senior vervaardigde prentenboeken. Hierin zijn ook de vele Latijnse teksten opgenomen die door de classica Clara Klein werden vertaald. Deze nooit eerder bestudeerde teksten – opdrachten, voorwoorden, bijschriften – maken veel duidelijk over de intenties en intellectuele aspiraties, maar ook over de handelsgeest, het kunstbegrip, de moraal en soms dubbele moraal van Crispijn de Oude en de zijnen.

Over de inhoud van haar repertoire moet de familie goed hebben nagedacht. Door iconografie bekwaam te plooien en de bijschriften met beleid te redigeren zorgde De Passe senior ervoor dat veel van zijn religieuze voorstellingen een algemeen christelijke strekking kregen, zodat ze aanvaardbaar waren voor alle gezindten. Tegelijk ontwierp en graveerde hij prenten die op een specifieke denominatie waren gericht. Dat hij een aantal bladen een protestants karakter verleende is minder opmerkelijk dan dat hij zich eveneens op katholiek beeldidioom toelegde. Kennelijk vormde zijn openlijk beleden doopsgezindheid daarbij geen enkele belemmering. Zeker toen hij in het katholieke bastion Keulen werkte, van 1589 tot 1611, achtte De Passe het raadzaam zijn godsdienstige overtuiging zoveel mogelijk in harmonie met de lokale macht en markt te brengen, een flexibiliteit die hem niet voor verbanning kon behoeden.

Ook in andere opzichten betoonde De Passe de nodige buigzaamheid. Zo vervaardigde hij politiek-gekleurde portretten voor aanhangers van de elkaar bestrijdende partijen in de Tachtigjarige Oorlog. Vriend of vijand, dat deed er weinig toe. Of het nu ging om Maurits te paard, of om afbeeldingen van diens tegenspeler Albert van Oostenrijk, de inkomsten uit de verkoop waren even welkom.

De scherpe marktoriëntatie kwam ook tot uiting in de emblemata, genreprenten en prentenboeken. Een aantal van deze overwegend thematische bundels, bestemd voor een jeugdig publiek uit de maatschappelijke bovenlaag, heeft onder meer de Hebreeuwse patriarchen en Ovidius' Metamorfosen tot onderwerp, alsook het eigentijdse studentenleven en de eeuwige liefde. Aan alle voorstellingen werden verzen toegevoegd, die de lezers soms aanspoorden tot een braaf en kuis leven. Een onderschrift bij een bordeelscène leerde studenten bijvoorbeeld dat `meretrix est ianua mortis': een lichtekooi is de poort des doods.

Dubbelzinnige grappen en seksuele taferelen werden soms gelanceerd zonder enig moraliserend tegenwicht, maar meestal blijken waarschuwing en moraal niet ver weg. Ten behoeve van kunst en literatuur bestond sinds jaar en dag een handige excuusformule, ook geldig voor doopsgezinden, die inhield dat het kwaad het meest effectief werd bestreden door het onverhuld te tonen en daarbij schande te roepen. Een strategie die we terugvinden in de destijds befaamde Miroir des courtisannes, een meermalen herdrukte hoerencatalogus, uitgebracht door Crispijn de Jonge en voorzien van een voorwoord waarin hij zich in allerlei bochten wringt om zijn product een zekere respectabiliteit te verschaffen. Moraliserend èn scabreus binnen één fonds of binnen één oeuvre of zelfs binnen één boek: we hebben dan al gauw de neiging van een dubbele moraal te spreken. Maar in de zeventiende eeuw stonden deze uitingen minder op gespannen voet met elkaar dan later.

Cachot

Veldman beschrijft levendig hoe het eclatante succes van de firma De Passe door familieconflicten, financiële moeilijkheden en sterfgevallen gaandeweg omsloeg in zijn tegendeel. Crispijn de Jonge was de langstlevende van de clan. Op latere leeftijd gingen zijn artistieke talenten er niet op vooruit. Na de dood van zijn vader verhuisde hij van Utrecht naar Amsterdam, waar hij zich toelegde op politieke journalistiek en het produceren van geïllustreerde schotschriften. Hij ontpopte zich ook als een vurige orangist. Ten tijde van het stadhouderloze tijdperk belandde hij in het cachot vanwege het maken van provocerende, Oranjegezinde prenten die door de overheid `buitengewoon krenkend voor de staat' werden geacht. In 1670 zou Crispijn in armoede sterven en daarmee kwam een roemloos einde aan het eens zo vermaarde familiebedrijf.

Een belangrijke rol in de lotgevallen van de De Passe's, vooral toen tegenspoed de overhand kreeg, speelden hun koperplaten. Koperplaten vormden het voornaamste kapitaal van graveurs en uitgevers, en de familie bezat er in 1639 tegen de zeventienhonderd. Maar Crispijn de Jonge kon er op een gegeven moment, vanwege strubbelingen over de nalatenschap van zijn vader, nauwelijks meer gebruik van maken. En dat betekende derving van inkomsten. Veldman geeft saillante details van het jarenlang slepende juridische geschil over het eigendom van de koperplaten die zo zorgvuldig waren bewaard en die, zo had Crispijn de Oude verordonneerd, voor altijd in de familie moesten blijven.

Er is er geen één meer bekend. Het materiaal moet in vreemde handen zijn geraakt. Waarschijnlijk zijn sommige platen door andere graveurs voor eigen doeleinden gebruikt en werden de meeste omgesmolten. Sic transit gloria mundi, het motto van een door Crispijn de Oude ontworpen embleem, lijkt ook hier toepasselijk. Gelukkig bleven de prenten bewaard, evenals een aantal tekeningen, en is er nu ook – met de boeken van Ilja Veldman – een fraai monument voor de familie opgericht.

Ilja M. Veldman: Crispijn de Passe and his Progeny (1564-1670). A Century of Print Production. Sound & Vision Publishers, 505 blz. Ilja M. Veltman: Profit and Pleasure. Print Books by Crispijn de Passe. Vertaald in het Engels door Michael Hoyle. Sound & Vision Publishers, 421 blz. Samen E250,–.