De waakhond liet verstek gaan

NIOD-onderzoeker Jan Wieten spaart de Nederlandse berichtgeving over de oorlog in voormalig Joegoslavië niet. Zijn studie is verplichte kost voor elke journalist. Kernvraag blijft waarom er geen pers aanwezig was bij de val van Srebrenica.

De journalistiek was ooit als onderzoeksgebied terra incognita. Dat na de ontdekking van deze rijke informatiebron de ontginning goed op gang is gekomen, blijkt uit het nog steeds toenemend aantal publicaties over het vak. Naar kranten vindt promotieonderzoek plaats, journalisten schrijven boeken over hun collega's, trends in de media worden doorgelicht. Soms zelfs zo grondig dat het journaille verbluft opmerkt nooit te hebben vermoed dat er zoveel achter het eigen, nobele ambacht steekt.

Vroeger was het eenvoudig. Een verslaggever ging naar een nieuwsgebeurtenis, blocnote en balpen mee, en deed daar verslag van. Daarna ging hij naar de kroeg. Die tijd is voorbij. In het journalistencafé is het stil geworden en verslaggevers moeten tegenwoordig op hun tellen passen. Voor ze het weten liggen ze zelf onder vuur. Het vak en zijn beoefenaars worden in de gaten gehouden. De journalist moet verantwoording afleggen.

Daar is reden toe. Ook de krant en het tv-journaal maken fouten, alleen genieten ze de reputatie die niet altijd ruiterlijk toe te geven. Introspectie is er wel, maar die is door de aard van het werk vluchtig en oppervlakkig. Vaak zijn de goede voornemens over de fouten van vandaag de volgende dag alweer vergeten. Het collectieve geheugen van de meeste media is verrassend kort. Alleen al om die reden is het goed dat het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie in zijn historisch-wetenschappelijke onderzoek Srebrenica, een `veilig' gebied uitgebreid aandacht besteedt aan de berichtgeving in Nederland over het conflict in voormalig Joegoslavië en aan de achtergronden en invloed hiervan.

De hoeveelheid informatie erover is zo verpletterend groot dat met recht de vraag kan worden gesteld waarom geen eindredacteur met een rood potlood is aangetrokken. In de beperking toont zich de meester. De journalistiek kan flink wat leren van het NIOD-rapport plus bijlagen, maar beknoptheid in elk geval niet. Toch kan de conclusie alleen maar zijn dat de onderzoekers Jan Wieten, Otto Scholten, Nel Ruigrok en Pieter Heerma een titanenwerk van klasse hebben afgeleverd, waarvan zeker Wietens bijdrage, Srebrenica en de journalistiek, een must is voor iedere vakgenoot. Wieten trekt de conclusies uit de zeer gedetailleerde analyses die Scholten, Ruigrok en Heerma aanleveren van de berichtgeving in de landelijke dagbladen De Telegraaf, de Volkskrant, NRC Handelsblad en Trouw. Duizenden nieuwsberichten, commentaren en achtergrondartikelen worden geanalyseerd in de studies In Sarajevo wordt geschoten, in Genève wordt gepraat en Good Guys, bad guys. Deze deelstudies zijn samen met het concluderende werk van Wieten te vinden op de cd-rom bij het NIOD-rapport.

Wieten laat een groot aantal journalisten aan het woord. Hij spaart de aanpak van de vaderlandse journalistiek in de zaak-Srebrenica niet. Kort gezegd concludeert hij dat de Nederlandse media van `Srebrenica' een versimpeld beeld hebben gegeven. De berichtgeving kenmerkte zich door te veel moraal, te weinig feiten, te veel standpunten, te weinig analyse en te veel emotie. Veel journalisten, schrijft Wieten, zijn zich van de tekortkomingen in die periode bewust. Dat is mooi, maar heeft de pers er lering uit getrokken? Over Wietens bijdrage is al het nodige opgemerkt, ook in deze krant. Of de berichtgeving nu te geëngageerd was of niet, het debat erover is geopend. Zonder gevolgen zal het waarschijnlijk niet blijven.

Kwetsbaar

Srebrenica en de journalistiek dwingt tot nadenken en zelfreflectie. Het scherpt de geest, maar dat betekent niet dat er geen merkwaardige dingen in staan, die inmiddels een eigen leven zijn gaan leiden. Raymond van den Boogaard werd door NRC Handelsblad destijds meermaals uitgezonden om als oorlogscorrespondent verslag te doen van de gebeurtenissen in voormalig Joegoslavië. Hij onderscheidde zich door objectieve, onpartijdige berichtgeving. Natuurlijk was daar kritiek op; wie schrijft maakt zich kwetsbaar. Volgens Van den Boogaard (aangehaald in het NIOD-rapport) vonden collega's op de krant dat hij meer de kant van de onderdrukte moslims moest kiezen. Wieten schrijft: `Het is een van de redenen, denkt hij [Van den Boogaard], waarom de NRC het nodig vond ook anderen, zoals Alfred van Cleef, naar Joegoslavië te sturen'.

Deze mededeling blijft ongeverifieerd, een omissie in een wetenschappelijk rapport. Want de hoofdredactie van NRC Handelsblad, waar ik in die periode deel van uitmaakte, heeft ten tijde van de oorlogen in ex-Joegoslavië nimmer verslaggevers om ideologische redenen uitgezonden of teruggeroepen. Bepalend waren twee zaken: de veiligheid van `onze' man of vrouw in combinatie met de noodzaak om af en toe thuis uit te rusten, en de vraag: kunnen we het betalen? Het eerste punt leidde ertoe dat de hoofdredactie een `pool' van verslaggevers had gevormd, die om beurten naar Joegoslavië trokken. Het tweede – het geld – dwong deze krant, en waarschijnlijk ieder Nederlands nieuwsmedium, op z'n tijd tot introspectie niet zozeer van morele, als wel van financiële aard, een onderschat aspect in de discussie. Om naar Srebrenica te gaan was een pantservoertuig nodig dat inclusief molestverzekering voor de inzittenden op het hoogtepunt van het conflict rond de achtduizend Duitse mark per dag kostte. Van het ministerie van Defensie was geen enkele medewerking te verwachten.

De kernvraag blijft waarom er geen pers in Srebrenica was toen de enclave viel. Nederland was direct bij een oorlog betrokken, Dutchbat had een belangrijke taak, maar de controleurs van de macht, de bewakers van het vrije woord en beeld, lieten verstek gaan. Wieten schrijft in Srebrenica en de journalistiek: `Achteraf valt op te merken dat de media op een aantal cruciale momenten, zoals bij de val van Srebrenica, niet aanwezig waren, veelal omdat de strijdende partijen zulks verhinderden'. Zijn conclusie is dat de pers wegbleef `soms uit luiheid of angst of beide, of ook omdat thuisredacties of verzekeringen bepaalde minimum-normen ten aanzien van de veiligheid in acht plegen te nemen'.

Daarmee is de historische blunder van de afwezigheid van de media in Srebrenica zo ongeveer wel verklaard. Het existentiële vraagstuk over de veiligheid van de frontverslaggever ('Geen verhaal is het waard om je leven voor te riskeren'), de schier onoplosbare problemen van financiering en logistiek en het relatieve gebrek aan ervaring bij het thuisfront om hiervoor inventieve oplossingen te bedenken: ziedaar de dilemma's en het hieruit voortkomende onvermogen van de Nederlandse pers in de oorlogsdagen van juli 1995. Voor en na de val van de enclave mag dan voortreffelijk werk zijn verricht, maar op het beslissende moment was inderdaad sprake van een gezamenlijk falen. Ook Nederlandse `kwaliteitsmedia' konden en kunnen zich, in tegenstelling tot wat Wieten schrijft, niet met The New York Times of de BBC meten als het gaat om oorlogsverslaggeving. In budget noch ervaring.

Doormodderen

De vraag over de afwezigheid blijft terugkomen. `Waarom was geen verslaggever ter plekke, toen de enclave viel?', vraagt Piet Hagen, hoofdredacteur van het vakblad De Journalist, in zijn mooie, zojuist verschenen studie Journalisten in Nederland, 1850-2000. Een persgeschiedenis in portretten. Ook de kwestie of de meeste Nederlandse journalisten anti-Servisch waren komt in Hagens werk kort aan de orde. Hij haalt verslaggever-van-het-eerste-uur Dick Verkijk van Radio 1 aan: `Is betrokkenheid slechte journalistiek? Nou, dan ben ik een slechte journalist.' En Hagen wijdt een degelijke historische beschouwing aan journalisten in oorlogstijd.

Zijn boek gaat overigens over veel meer dan Srebrenica. De 48 portretten erin, van Izaäc Lion (1821-1873) tot Frénk van der Linden (1957), zijn onderhoudend en goed gedocumenteerd. In het hoofdstuk `Interviewers' besteedt hij te weinig aandacht aan NRC Handelsblad-redacteur Robert van de Roer, de enige Nederlandse journalist die tientallen internationale diplomaten en politici, direct betrokken bij de conflicten op de Balkan, heeft ondervraagd. Zijn vraaggesprek van april 1998 met Yasushi Akashi, de VN-gezant tijdens de oorlog in ex-Joegoslavië, bevat zoveel materiaal over de val van Srebrenica, dat het moeilijk is te negeren in zo'n bundel.

,,Doormodderen', zei Akashi – een woord dat is overgenomen door het NIOD – ,,doormodderen is een prestatie.' Akashi belichaamde de falende diplomatie en halfslachtige neutraliteitspolitiek van die tijd. Het resultaat daarvan is bekend. `Doormodderen' was het in zekere zin ook voor de Nederlandse pers ten tijde van Srebrenica. Om te spreken van een Srebrenica-trauma voor de vaderlandse journalistiek, zoals Wieten doet, gaat wat ver. Waren de media in de enclave aanwezig geweest – ja, dan was er wellicht een trauma opgelopen. Maar nu niet. Nu kan de journalistiek alleen maar achterom kijken en zich verbazen over het gebrek aan lef, geld en inventiviteit, en over het onderdrukken van het nieuwsinstinct dat zei: blocnote en balpen mee, en erop af.

Jan Wieten: Srebrenica en de journalistiek. Achtergronden en invloed van de berichtgeving over het conflict in voormalig Joegoslavië in de periode 1991-1995. Alleen beschikbaar op cd-rom bij het volledige NIOD-rapport, hoofdrapport in drie delen en vier deelstudies. Boom, E225,-

Piet Hagen: Journalisten in Nederland, 1850-2000. Een persgeschiedenis in portretten. De Arbeiderspers, 600 blz. E36,30