De puinhopen van de president

Ook in Frankrijk is het electoraat op hol geslagen. Het land is in verwarring na de spectaculaire verkiezingswinst afgelopen zondag van de extreem-rechtse Le Pen. Dat succes is het resultaat van de langdurige patstelling tussen de joyeuze operettefiguur Chirac en de bleke socialist Jospin.

Het heeft even geduurd, maar Frankrijk loopt eindelijk weer eens voorop. Net als in mei '68 heeft het de leiding genomen in de chaotisering van de politiek, al komt die ditmaal niet van radicaal-links maar van extreem-rechts. Want dat is de politieke hoofdzaak van de uitslag die zondag een einde maakte aan de politieke loopbaan van Lionel Jospin en die Jacques Chirac de zwakste score opleverde die een zittende president ooit in de eerste ronde van een presidentsverkiezing behaalde: het centrum is verzwakt en het extremisme is aan de winnende hand.

De totale verrassing van een uitslag die Front National-leider Jean-Marie le Pen op slechts iets meer dan twee procent afstand van Chirac bracht, maakt bovendien duidelijk dat politieke peilingen in het tijdperk van een massaal losgeslagen electoraat geen enkele waarde hebben. Het zijn twee conclusies die niet alleen voor Frankrijk van betekenis zijn. Dat belooft nog wat voor de Tweede Kamerverkiezingen van 15 mei.

President van Frankrijk: het lijkt heel wat, maar een enerverende baan schijnt het niet te zijn. Van François Mitterrand is bekend dat hij zich flink kon vervelen. Tijdens de veertien jaren van zijn presidentschap (1981-1995) las hij elke week een paar romans en hij was blij als er weer eens een reis op het programma stond. Bij terugkomst verzuchtte hij: `Bon, je rentre à la niche'.

Onder zijn opvolger Jacques Chirac, die hoogstwaarschijnlijk bij de tweede verkiezingsronde op 5 mei a.s. zal worden herkozen, is het er niet beter op geworden. De bevoegdheden van de volksmonarch zijn de afgelopen jaren uitgekleed. In haar even scherpe als amusante portret van deze president, Chirac ou le démon du pouvoir, laat Raphaëlle Bacqué, redacteur van Le Monde, zien hoe Chirac zelf de regie voerde over deze erosie van zijn macht.

Volgens de constitutie van de in 1958 opgerichte Vijfde Republiek bepaalt de eerste minister de politieke koers van de regering. Niettemin vestigde generaal De Gaulle een praktijk waarin de premier ondergeschikt is aan de president, die direct door het volk wordt gekozen en die de bevoegdheid heeft het parlement te ontbinden. Vooral de buitenlandse politiek en de defensie gelden als het domein van het soevereine staatshoofd, dat de opdracht heeft Frankrijk als internationale mogendheid te vertegenwoordigen. Deze sterke positie was echter altijd afhankelijk van de samenwerking tussen de president en een regering die dezelfde politieke kleur hadden. De socialist Mitterrand moest als eerste tot tweemaal toe na tussentijdse parlementsverkiezingen een cohabitation met een rechtse regering toestaan. De korte duur van deze stroef verlopen episodes beperkte de schade voor zijn machtspositie.

De rechtse Chirac daarentegen is gedurende de vijf jaren gedwongen samenwerking met de socialistische premier Jospin als chef van de natie een meer ceremoniële dan beslissende figuur geworden. Zelfs in de buitenlandse politiek moest hij zich zware concurrentie laten welgevallen, een complicatie die de invloed van Frankrijk geen goed heeft gedaan. Twee jaar geleden hebben de Fransen in een referendum het besluit genomen om de ambtstermijn van de president van zeven jaar terug te brengen naar vijf, gelijk aan de zittingsduur van het parlement. Door de verkiezingen voor deze staatsinstellingen kort na elkaar te laten plaatsvinden, hoopt men dat het electoraat een volksvertegenwoordiging zal kiezen die de president vriendelijk gezind is en zijn bevoegheden weer op het niveau van weleer zal brengen.

Chirac wordt in Bacqué's boek geportretteerd als een getalenteerde brokkenmaker en ongeremde opportunist, een man met een formidabele hoeveelheid ongerichte energie en een scherp gevoel voor politiek theater. Die laatste kwaliteit kwam hem goed van pas toen hij afgelopen zondagavond als vader des vaderlands de Fransen opriep hun verdeeldheid te overwinnen, dat wil zeggen in de volgende ronde op hem te stemmen. In 1995 versloeg hij Jospin in de presidentsverkiezingen na in zijn campagne de belofte te hebben gedaan de `fracture sociale' te helen. Na zijn aantreden gaf hij de rechtse regering-Juppé echter de opdracht een bezuinigingsoperatie te starten die Frankrijk moest klaarstomen voor toetreding tot de monetaire unie. Toen de Fransen massaal de straat opgingen om te protesteren, schreef Chirac parlementsverkiezingen uit om de rechtse meerderheid te versterken. Hij werd door de kiezers afgestraft voor zijn gebroken belofte en moest instemmen met de benoeming van Jospin, die hem het leven de afgelopen jaren steeds zuurder heeft gemaakt.

Chirac speelt al dertig jaar een hoofdrol in de Franse politiek: in 1974 werd hij voor het eerst premier onder Giscard d'Estaing, later overkwam hem dat nog een keer in een vijandig verlopen cohabitation met Mitterrand. We kennen hem sinds lang, schrijft Bacqué, maar tegelijk helemaal niet. Denkbeelden heeft hij niet, het zijn voor hem slechts middelen om gekozen te worden. Oud-premier Edgar Faure merkte ooit op: denken betekent voor Chirac denken wat anderen denken. Hij was ooit socialist, liberaal, tegenstander van de euro, voorstander van de euro, etc. Tijdens de campagne van 1995, toen hij op achterstand dreigde te raken, zei hij tegen zijn naaste medewerkers: `Wees niet bang. U zult versteld staan van mijn demagogie'. De afgelopen maanden heeft hij beloofd de inkomstenbelasting te verlagen, maar ook meer uit te geven aan onderwijs, gezondheidszorg en vooral veiligheid. Schaamteloos maakte hij misbruik van de aanslagen die moslimjongeren op joodse burgers pleegden door de regering-Jospin een tekort aan waakzaamheid te verwijten.

Affaires

Chirac is tijdens zijn presidentschap achtervolgd door affaires, maar zijn brutaliteit redde hem. Toen de regering-Jospin in 1997 aantrad, werd een streng onderzoek aangekondigd naar een aantal financiële schandalen. De jonge onderzoeksrechter Eric Halphen nam de praktijken onder de loep waarmee Chirac tijdens zijn langdurige burgemeesterschap van Parijs de partijkas van zijn neo-gaullistische RPR en mogelijk ook zijn eigen zakken had gevuld. Een paar maanden geleden kondigde de teleurgestelde Halphen aan terug te treden omdat hij te veel werd tegengewerkt. Waar de bron van die sabotage gezocht moet worden is te lezen in Le temps de répondre, het lange interview dat de bekende journalist Alain Duhamel Jospin heeft afgenomen. De premier vertelt daarin dat hij de afgelopen vijf jaar voortdurend door Chirac is belaagd met de beschuldiging dat de president het doelwit was van een justitieel complot. Hij eiste van Jospin bescherming en die is er kennelijk gekomen, want met het ontslag van Halphen is het onderzoek afgeblazen. In het verkiezingsprogramma van Chirac is een passage opgenomen waarin wordt voorgesteld de functie van onderzoeksrechter af te schaffen.

Hoe is het mogelijk dat deze even stuurloze als cynische brekebeen afgelopen zondag toch weer als eerste is geëindigd? Uiteraard kon hij profiteren van de electorale bonus waarop een president altijd kan rekenen. Bovendien vinden de Fransen hem sympha. Altijd verkerend in het gezelschap van zijn dochter Claude, de enige persoon die hij volledig vertrouwt, weet hij dankzij zijn aanstekelijke opgewektheid en zijn vermogen om tegenslagen te overwinnen gevoelens los te maken die meer met genegenheid dan respect te maken hebben. Een Nederlander zou denken dat hij met zijn joyeuze gebaren en martiale uitdrukking in menige operette geen slecht figuur zou slaan, maar veel Fransen zien dat anders. Zij koesteren zijn passie en gevoel voor symboliek.

Chirac heeft ook geprofiteerd van de geringe aantrekkingskracht die Jospin ditmaal (in 1995 haalde hij in de eerste ronde nog 23 procent, nu kwam hij niet verder dan 16 procent) op de kiezers uitoefende. Vergeleken bij Chirac heeft de premier zich de afgelopen vijf jaar laten kennen als een bleke figuur. Jospin beging een blunder toen hij begin maart tegen journalisten de opmerking maakte dat de bijna 70-jarige Chirac er moe en uitgeblust uitzag. De premier werd vervolgens door de kritiek in het defensief gedrongen: een dergelijke opmerking wordt in een land waar het hoogste staatsambt nog altijd is omgeven met een monarchistisch-bonapartisch aureool, opgevat als majesteitsschennis.

Jospin heeft ook schade opgelopen door de onthulling van twee jaar geleden dat hij langdurig lid is geweest van een revolutionair-trotskistische cel en zijn contacten in deze kringen nog lange tijd aanhield nadat hij voorzitter was geworden van de Parti Socialiste. Het is een onderwerp dat hem in Le temps de répondre nog steeds aanleiding geeft tot ontwijkende antwoorden op de vragen van Duhamel. Een extremistisch verleden is in de Franse politiek geen bijzonderheid en waarschijnlijk hadden de Fransen er niet te zwaar aan getild als Jospin zich in de campagne van 1995 niet had verweerd met de leugen dat hij verwisseld werd met zijn broer. Zo verspeelde hij zijn reputatie van protestantse eerlijkheid.

Maar de belangrijkste verklaring voor zijn uitschakeling is waarschijnlijk toch zijn matige staat van dienst als premier. Hij heeft de coalitie van socialisten, communisten en radicalen knap bij elkaar gehouden, maar in Frankrijk is consensusvorming een kwaliteit die minder hoog wordt aangeslagen dan in Nederland. Daadkracht toonde zijn regering nauwelijks. De werkloosheid liep vier jaar lang terug dankzij een gunstige conjunctuur, maar aan die positieve ontwikkeling is inmiddels een einde gekomen.

Xenofobie

Jospin won in 1997 de parlementsverkiezingen met de belofte de 35-urige werkweek in te voeren. In de praktijk blijkt die maatregel grote problemen op te leveren. De belangrijke wetgeving die Corsica meer zelfstandigheid moest geven is door het Constitutionele Hof van Frankrijk als ondeugdelijk afgekeurd. Eerder al was Jean-Pierre Chevènement als minister van Binnenlandse Zaken vanwege deze wet afgetreden. Hij meldde zich als presidentskandidaat en met de vijf procent die hij afgelopen zondag kreeg beroofde hij Jospin van de linkse stemmen die de premier in de tweede ronde hadden kunnen brengen.

Het zwaarste verwijt aan het adres van Jospin bestaat uit klachten die een Nederlander bekend voorkomen: hij heeft grote problemen laten liggen of toegedekt. Elke poging tot hervorming van het binnen afzienbare termijn onbetaalbare pensioensysteem (een overslagstelsel waarin de werkenden het volledige pensioen van de gepensioneerden betalen) bleef uit. De veiligheid op straat is een thema dat de afgelopen vijf jaar alleen met bezweringsformules is benaderd, terwijl het voor de Fransen een hoofdzaak is. Over het politieke karakter van het Front National hoeft men geen illusies te hebben (zie bijvoorbeeld Michel Soudais, Le front national en face, Flammarion, 1998). Le Pen is een specialist in rancune die Haider naar de kroon steekt in xenofobie en grofheid. Met zijn racistische tirades over de oorzaken van massale criminaliteit in de voorsteden (banlieus) heeft hij geprofiteerd van het tekort aan daadkracht bij de overheid. Het is Paars op z'n Frans dat na vijf jaar cohabitation klappen heeft gekregen die Jospin als eerst verantwoordelijke fataal zijn geworden, maar die ook Chirac hebben beschadigd.

De gedwongen samenwerking tussen een rechtse president en een linkse premier heeft ook de buitenlandse politiek van Frankrijk geen goed gedaan. Raphaëlle Bacqué beschrijft in haar Chirac ou le démon du pouvoir dat in de Europese hoofdsteden bij herhaling heel wat is afgelachen toen achtereenvolgens de president en de premier van Frankrijk telefonisch de belangen van hun natie kwamen bepleiten zonder dit van elkaar te weten. Maar de teloorgang van de Franse status in de mondiale verhoudingen heeft diepere oorzaken dan deze voor buitenlanders hilarische concurrentieslag. Dit probleem is het belangrijkste onderwerp van het lange gesprek dat Dominique Moïsi, de directeur van het Instituut voor Internationale Betrekkingen in Parijs die ook geregeld bijdragen schrijft voor de opiniepagina van NRC Handelsblad, heeft gehad met minister van Buitenlandse Zaken Hubert Védrine. Van dit eerder in Frankrijk verschenen boek heeft het Amerikaanse Brookings Instituut een vertaalde en uitgebreide editie uitgebracht, France in an Age of Globilization, met een inleiding van Frankrijk-specialist Philip H. Gordon. Frankrijk is als mogendheid sinds het einde van de Koude Oorlog ernstig gedupeerd. De politieke betekenis van het nucleaire wapen verdween, de Duitse hereniging dreigt Frankrijk te reduceren tot de bijwagen van de grote buurstaat. Maar nog ongunstiger is volgens Védrine de mondialisering, een ontwikkeling die de Fransen rechtstreeks in de nationale ziel treft. De opmars van de vrije markt, het wantrouwen tegen de staat, het primaat van de economie, de dictatuur van de dollar in de handelsbetrekkingen, de overheersing van het Engels op internet: alles wat modern en succesrijk is lijkt een bedreiging voor de natie die al eeuwenlang leeft bij de gratie van een sterke staat met een culturele en beschermende taak.

Védrine pleit voor een vlucht naar voren die Frankrijk tot de koploper moet maken in het gevecht tegen het `ultraliberalisme'. Hoe meer mondialisering, aldus Védrine, hoe groter de behoefte aan regulering. Hypermacht Amerika, de gangmaker en grootste profiteur van de mondialisering, is de grote tegenstander.

De Franse minister ziet in dat zijn land geen partij is voor de Verenigde Staten en hij pleit voor een Europese machtsvorming die een tegenwicht kan bieden aan de Amerikaanse dominantie. Hij erkent ook dat alleen een hechte samenwerking tussen Frankrijk en Duitsland het Europese project een nieuwe stimulans kan geven, maar hij geeft toe dat deze as stevig aan het kraken is. Berlijn en Parijs zijn het op alle hoofdpunten oneens: de herziening van de landbouwpolitiek die de uitbreiding van de EU mogelijk moet maken, de institutionele hervorming, maar ook de verhouding tot de Verenigde Staten. Hoe kan Europa nog een vuist maken?

Daadkracht

Védrine concludeert dat Frankrijk moet blijven proberen zoveel mogelijk zijn eigen opvattingen door te drukken. De kracht van Europa, zo concludeert hij, ligt nu eenmaal in de diversiteit. Op de verbaasde vraag van Moïsi of met die houding niet de daadkracht wordt geblokkeerd die Europa zo node mist, geeft Védrine het antwoord dat de Europese instituties maar moeten zorgen dat de verscheidenheid wordt omgezet in politieke energie. Hij vergeet erbij te zeggen dat Frankrijk als voorstander van intergouvernementele samenwerking de macht van die instellingen juist wil beperken.

Frankrijk verkeert niet alleen intern in verwarring, het zit ook nog extern in de knel. Het succes van Le Pen zal de Franse neiging om afstand te nemen van de Europese samenwerking en weg te zakken in het eigen gelijk alleen maar versterken. Volgens De Gaulle was een ambitieuze buitenlandse politiek een onmisbaar middel om de eenheid van de Franse natie te bewaken, een instrument om de nationale gewoonte te beteugelen interne conflicten hoog op te spelen. Na vijf jaar cohabitation tussen Chirac en Jospin is Frankrijk zelfs niet meer in staat om in het buitenland met één stem te spreken. De weerslag op de binnenlandse verhoudingen is niet uitgebleven. Nu alle gematigde partijen hebben opgeroepen de zittende president te herkiezen, zal Chirac op 5 mei waarschijnlijk een grote overwinning behalen. Maar een stem op deze politicus zal voor veel Fransen een keuze contre coeur zijn. En dus is de kans groot dat zij, bij wijze van correctie, op 9 en 16 juni bij de parlementsverkiezingen links de overwinning gunnen. Dan treedt voor Frankrijk en voor Europa een scenario van verlamming en wanorde in.

Raphaëlle Bacqué: Chirac ou le démon du pouvoir. Albin Michel, 300 blz. E18.90

Lionel Jospin: Le temps de répondre. Entretiens avec Alain Duhamel. Stock, 284 blz. E15,–

Hubert Védrine with Dominique Moïsi: France in an Age of Globilization. Brookings Institution Press, 143 blz. E19.90