DE KUNST EN HET KWAAD

Kunst kan inzicht verschaffen in het wezen van het kwaad. Belangrijk is dat de kunstenaar op zoek gaat naar het slechte in zichzelf.

Het was geen erg manmoedig antwoord dat Harry Mulisch gaf toen hem onlangs, bij een gesprek over het kwaad, werd gevraagd of het kwaad ook in hemzelf zat. Het gebeurde in de Nacht van de Filosofie, begin deze maand in Amsterdam, waar Mulisch optrad samen met de Duitse filosoof Rüdiger Safranski. Toen de gespreksleider de vraag stelde reageerde Mulisch met een pertinent `Nee!'.

Was dit de schrijver die heeft gezegd ,,Ik ben de Tweede Wereldoorlog''? Was dit de goudzoeker wiens regenboog begon bij Adolf Eichmann (De zaak 40/61, 1961) en eindigde bij Adolf Hitler (Siegfried, 2001)? ,,Zonder het kwaad in de persoon van Hitler zou mijn werk er heel anders hebben uitgezien'', zei Mulisch tegen Safranski en ondertussen moesten wij dus geloven dat het kwaad hemzelf vreemd is.

Merkwaardig. Een strenge wetenschapper zou het misschien nog voor elkaar kunnen krijgen zich in het kwaad te verdiepen en er tegelijkertijd zelf buiten te blijven. Kampbeulen schijnt het gelukt te zijn overdag hun werk te doen en 's avonds ontroerd naar Beethoven te luisteren. Maar een kunstenaar? Hoe kan die zich ooit in het kwaad verdiepen zonder het in zichzelf op te sporen? Trouwens, iedereen die niet eeuwig wil blijven leven in een wereld van kippenvel en melktandjes moet het kwaad in zichzelf naar boven halen, want in het kwaad ligt de diepgang, zo is het nu eenmaal. Dat het ook verwoestend kan toeslaan is geen reden om er dan maar af te blijven. Als wij het kwaad niet pakken pakt het kwaad ons. Het wordt steeds kwader naarmate meer mensen roepen `nee, het zit niet in mij!'

Gelukkig doen zich in deze maanden na 11 september allerlei gelegenheden voor om het kwaad nader te leren kennen. Plotseling zie je het onderwerp in tijdschriften, televisieprogramma's, op de agenda's van culturele instellingen, overal. Er zijn symposia over het kwaad aan de universiteiten van Leuven (afgelopen weekend) en Tilburg (in juni). In Amersfoort is kort geleden de maandenlange manifestatie De Schoonheid van het Kwaad afgesloten met een tentoonstelling in het Armandomuseum. En, om ook iets te noemen uit het epicentrum van deze oplevende belangstelling, het Joods Museum in New York toont tot en met 30 juni Mirroring Evil: Nazi Imagery / Recent Art.

In deze laatste tentoonstelling, die van meet af aan controversieel was, proberen dertien kunstenaars een nieuw licht op het kwaad te werpen door beelden uit het Derde Rijk te confronteren met de huidige tijd. De Engelsman Alan Schechner heeft een foto van zichzelf met een blikje Diet Coke in de hand, gemonteerd in een foto van Buchenwald-gevangenen. De Schotse Christine Borland gaf zes beeldhouwers de opdracht een buste te maken van de nazi-arts Josef Mengele om het samengaan van charme en verderfelijkheid in zijn persoon te onderzoeken: L'Homme Double. De Pool Zbigniew Libera maakte Lego-dozen voor wat hij een Lego Concentration Camp Set noemt.

Of die kunstwerken de kunstkritische kwaliteitstoets kunnen doorstaan is nu even niet de kwestie, om dat te kunnen beoordelen zouden we Mirroring Evil gezien moeten hebben en dat is niet het geval. Het gaat hier om de vraag of het achterliggende idee deugt, of een dergelijke tentoonstelling in principe geschikt is om inzicht in het kwaad te verschaffen.

Sommigen vonden al bij voorbaat van niet, en zij demonstreerden dan ook met spandoeken bij de opening op 17 maart of schreven protestartikelen in de New Yorkse kranten. De hardste stemmen riepen dat de kunst van alle nazi-beelden af moest blijven, want dat ze de gruwelen slechts van hun ernst beroofde. Dat was de bekende doodlopende weg, bewandeld door mensen die het verleden beschouwen als hun privé-eigendom waar verder niemand aan mag komen.

Maar er waren ook minder gemakzuchtige bezwaren, zoals van Ron Rosenbaum, onder meer auteur van een boek met de ambitieuze titel Explaining Hitler. Hij poogde (in The New York Observer, 18 maart) op afgewogen wijze te vertellen wat hij tegen had op de theorieën achter Mirroring Evil zoals verwoord in de catalogus. Zijn hoofdbezwaar is dat de kunsttheoretici geen scherpe scheidslijn trekken tussen goed en kwaad, maar daar juist aan tornen door de toeschouwer uit te nodigen het kwaad in zichzelf op te sporen. ,,Het beeld van de spiegel staat centraal in hoe we worden geïnstrueerd naar de kunst te kijken: we moeten de nazi's in het gezicht kijken en zullen dan aspecten van onszelf weerspiegeld zien'', zo vat Rosenbaum samen.

Hij benadrukt dat hij beslist geen boycot van de tentoonstelling wil, dat hij niets heeft tegen het oogmerk ervan, dat hij een verbod op het tonen van nazi-beelden veel te veel eer voor de massamoordenaars zou vinden. Maar hoe genuanceerd hij ook probeert te klinken, de onderdrukte woede beheerst zijn artikel.

,,Wanneer een kunstenaar de positieve kanten van het familieleven van een schurk afbeeldt,'' zo leest hij in de catalogus, ,,compliceert dat de scherpe scheiding tussen goed en kwaad die de Westerse cultuur zo gemakkelijk aanneemt.'' Zo'n zin schiet hem in het verkeerde keelgat. ,,Dus de beschuldigende vinger wordt gewezen naar de zelfvoldane westerse cultuur, die zo dwaas is om daden als massamoord als kwaad te karakteriseren'', schrijft hij verontwaardigd.

Die gevolgtrekking is karikaturaal, en daar zouden meer voorbeelden van te geven zijn. Rosenbaum verwijt de makers van Mirroring Evil zich te veel op de borst te kloppen voor het uitdagende en grensoverschrijdende karakter van de tentoonstelling. Blijkbaar wordt het hem meteen zwart voor de ogen wanneer hij de scherpe scheiding tussen goed en kwaad ook maar een beetje ziet vervagen. Het is wel duidelijk hoe hij zou reageren als iemand hem vroeg of het kwaad ook in hemzelf zit. Hij zou niet gewoon `nee' zeggen, hij zou diep beledigd zijn dat iemand hem de vraag durfde stellen.

En hij is niet de enige, integendeel, hij past feilloos in de geest van het nieuwe Amerika. Want sinds 11 september heeft, onder aanvoering van de president, overal in Amerikaanse bodem het `evil is not us'-gevoel wortel geschoten. De scheidslijn tussen goed en kwaad staat de mensen weer scherp voor ogen, eindelijk kunnen ze weer eens lucht geven aan hun onderdrukte wrok en nostalgie. Opeens ligt alles weer fijn duidelijk, en de overtuiging dat alles wat Amerika doet goed is, knaagt zelfs aan de scherpste critici.

Die ontwikkeling heeft een zekere logica, omdat Amerika voor het eerst in zijn bestaan op het eigen vasteland het slachtoffer is geworden van een vernietigende aanval. En een slachtoffer behoort, alleen al op grond van zijn slachtofferschap, als geen ander tot het kamp van het goede – ook al heeft Nietzsche (zijn naam kon niet uitblijven) dat nog zo nadrukkelijk betreurd.

Zoals bekend heeft de schrijver van Genealogie van de moraal en Voorbij goed en kwaad betoogd dat er op het gebied van de moraal in de loop van de geschiedenis een fatale omslag heeft plaatsgevonden. Wie eerst goed was, namelijk de machtigen en voornamen, werd slecht, en wie slecht was, de machtelozen en lijdenden, werd goed. Het gevolg is dat wij in ons streven voortdurend omlaag worden getrokken. We hebben afgeleerd voor het machtige bang te zijn, en met de angst is ook het vermogen tot bewondering verloren gegaan.

Waar dat laatste toe kan leiden heeft Amerika in september ondervonden. Blijkbaar lokte het onaantastbaar geachte land geen angst en bewondering meer uit, en dat kreeg het hardhandig ingepeperd. Nooit tevoren werd het in die mate slachtoffer, maar dat bracht wel met zich mee dat Amerika zich nu opeens buitensporig goed mocht voelen en zich boven alle kwaad verheven is gaan wanen. Tegelijkertijd probeert het zo overtuigend mogelijk te doen of het helemaal geen slachtoffer is, om aldus weer te kunnen worden wat het zijn wil: een angst inboezemende, bewondering afdwingende supermacht.

Dat alles houdt een gespletenheid in die prachtig zichtbaar wordt in de nieuwste film over de Vietnamoorlog, We were soldiers, die alleen al in Nederland draait in maar liefst 75 bioscopen. Je hoeft niet veel toespraken van Bush gehoord te hebben – die eigenaardige mengsels van patriottisme, familiesentimenten en oorlogsretoriek – om in deze film de plaatjes te zien bij zijn praatjes.

We were soldiers verbeeldt de slag in de Vietnamese Ia Drang Vallei, waar de Amerikanen in 1965 hun eerste grote confrontatie met de Vietcong uitvochten. In werkelijkheid was het een bloedbad, de slecht voorbereide Amerikanen stonden tegenover een goed getrainde overmacht. De film laat dat ook allemaal zien en bestaat voor het grootste deel uit gevechten in de jungle, waarbij mannen aan de lopende band met kogels doorzeefd of aan bajonetten geregen worden, exploderen of levend verbranden. Maar hoeveel bloed er ook in het rond spat, als toeschouwer huiver je geen moment.

Dat komt doordat in deze oorlogsfilm het kwaad volledig ontbreekt. De soldaten, die thuis worden afgeschilderd als trouwe, vrome huisvaders met onnozele echtgenotes, worden op het slagveld geen van allen gek of laf. Drugs worden er niet gebruikt, racistische taal wordt niet uitgeslagen, je hoort ze zelfs niet vloeken. De oorlog is het beste wat een man kan overkomen, en wie onverhoopt sterft, heeft dat graag voor zijn land over. Maar commandant Mel Gibson overleeft natuurlijk. Als overwinnaar, ook dat nog, al zal hij zichzelf nooit kunnen vergeven ,,that my troopers died and I didn't''.

,,Deze film geeft het Amerikaanse leger een macho-slachtoffer-status'', merkte de Engelse filmcriticus Peter Bradshaw op. Zo is het precies, macho-slachtoffer-soldaten, dat zijn het. Geen greintje angst boezemen ze in, er valt niets aan ze te bewonderen.

De schilder/schrijver Armando (1929) vertelt in zijn boek De straat en het struikgewas hoe hij als jongen bewondering koesterde voor de Duitse soldaten die hij opeens overal begon te zien, met name voor hun laarzen. ,,Stond dat niet veel beter dan de windsels onzer soldaten?'' Het ijzerbeslag dat onder die laarzen zat was zo stoer dat hij zelf ook ijzerbeslag kocht.

Daarna merkt hij dat de soldaten `stampvoeten', dat ze `van geen wijken weten', dat ze `schreeuwden, ook als ze met elkaar spraken'. Dat maakt waakzaam maar hij schrikt niet terug. Steeds weer gaat hij tastenderwijs op het kwaad af, met een mengeling van identificatie en distantie blijft hij het benaderen. Het is het begin van een levenslange en productieve zoektocht naar het kwaad.

De slottentoonstelling van De Schoonheid van het Kwaad in Amersfoort was een mooie gelegenheid om weer eens een deel van zijn beeldend werk te bekijken. En wat viel er ineens aan op? Dat veel van zijn schilderijen, vooral de uit min of meer abstracte, zwarte vlakken opgebouwde landschappen, in de loop van de tijd steeds mooier worden. Ze bestaan al jaren en er verandert niets aan, maar het is net of het patina van de tijd ze steeds minder kwaadaardig maakt. Of de schoonheid het kwaad al bijna heeft overwonnen.

Maar het kwaad kan helemaal niet overwonnen worden, het kan opgespoord, gekend en beheerst worden, maar niet overwonnen. Niemand zou gebaat zijn bij een terugkeer naar het paradijs.

Alle goede kunstenaars weten dat, en iedere nieuwe generatie heeft weer andere middelen om de speurtocht naar het kwaad voort te zetten. Zoals Armando naar het bos ging om in schuldige landschappen het kwaad terug te zoeken, zo zetten de jongere kunstenaars thuis de televisie aan en betrappen het kwaad op heterdaad.

Daaruit komen kunstwerken voort die even zwart zijn als die van Armando, maar op een heel andere manier. Neem bijvoorbeeld het werk van Ronald Ophuis (1968). Zijn schilderijen zijn in de voorstellingen zo afschuwelijk dat je niet zo gauw op het idee komt je aandacht op de compositie, de verf of de schilderwijze te richten. Verkrachtingen, mishandelingen, miskramen en verminkingen, zich afspelend in wc-ruimtes, sportkleedkamers of concentratiekampbarakken – het woord mooi komt bij zulke beelden in een normaal mens niet direct op. Schoonheid wordt hier letterlijk door het kwaad overwoekerd.

Mensen kunnen zich walgend afkeren van die schilderijen of er woedend om worden, exposities van Ophuis hebben tot protesten en rechtszaken geleid. Maar zijn werk is slechts gericht tegen het vergeten, tegen het niet willen weten van het kwaad dat geschiedt. Het is een oproep om ons, hoe dan ook, tot dat kwaad te verhouden. Misschien roept het wat hard, maar is dat erg? Erger dan dat de filmindustrie een gruwelijke oorlog als door en door goed voorstelt?

O mannen die het zonder het kwaad moeten stellen, doe toch eens wat slechts! Kaart eens met de duivel, keel eens een varken, luister toch eens naar het monster dat door de krochten van jullie ingewanden waart. Slaap eens een nachtje met de schim van Mae West.

Toen aan Mae West, naar aanleiding van haar rol in de film I'm No Angel (1933), werd gevraagd of die filmtitel ook op haarzelf van toepassing was, antwoordde zij: ,,Whem I'm good, I'm very, very good, but when I'm bad, I'm better.'' Zij had het begrepen.