De emoties in de ban

Volgende week wordt de winnaar van de VSB Poëzieprijs 2002 bekendgemaakt. De vijf genomineerde dichters verklaren de ontroering de oorlog.

`Telkens weer worden we belaagd door die verderflijke emoties'', zei kortgeleden dichteres en vertaalster Anneke Brassinga. Met haar bundel Verschiet is ze genomineerd voor de VSB Poëzieprijs 2002. Ze vervolgde: ,,Voor je het weet glijd je af naar larmoyantie en sentiment.'' Vier van de vijf genomineerde dichters waren bijeen in De Rode Hoed in Amsterdam. Ze lazen voor, werden ondervraagd. Als entre'acte was er pianospel. Je zou zeggen: een echte avond voor poëzie. Maar het liep anders.

Zo was daar opeens Brassinga's literaire moordaanslag op de poëzie van J.C. Bloem, een dichter van weemoed en melancholie, wiens werk zij `modder' noemde, vol `clichés en stoplapperij'. Dirk van Bastelaere, aanwezig voor zijn bundel Hartswedervaren, ging een stap verder in zijn oorlogsverklaring aan emoties: ,,Wie ontroerd raakt door een gedicht, heeft een handicap.'' Voor Van Bastelaere is het hart – vanouds symbool van gevoelens – een ellendig mechaniek dat, althans in de dichtkunst, voor valse emoties zorgt. En die moeten uit het poëtisch domein verdreven worden.

Deze algemene, niet zachtzinnige oorlogvoering tegen ontroering hangt onmiskenbaar samen met de keuze van de jury. Behalve genoemde bundels draagt zij voor bekroning voor: De zwijgende man is niet bitter van Piet Gerbrandy, Zilverzonnige en onneembare maan van Jacques Hamelink en Geen man, want geen vrouw van Gerrit Krol. Vijf bundels, gekozen uit een kleine tachtig inzendingen. Wat ze gemeen hebben, met uitzondering van Krol, is een sterke mate van ontoegankelijkheid en verbale complexiteit.

Gesloten poëzie, hermetisch. De taal is voor deze dichters geen middel om ontroering of emoties over te dragen. Vandaar hun hang naar complexiteit. Elk gedicht is een op zichzelf staand universum van woorden, klanken, interne verwijzingen, stijlfiguren. Het zijn vaak gedichten als gesloten huizen of dichte kamers. Vind maar een sleutel om binnen te komen, zoek een kierende plank om je vingers tussen te zetten en in te breken. De lezer moet hard werken, kop erbij,herlezen, samenhang zoeken, om tot slot een betekenis te vinden. Verbale virtuositeit, het spel met woorden en de kracht van een in taal opgeroepen beeld geeft een verrassende sensatie.

Klinisch

Een dichter als Van Bastelaere mag ontroering dan in de ban hebben gedaan, dat hij aan taal ook de ziel ontneemt is ernstig. In mijn ervaring is Hartswedervaren een koude, klinische bundel, waarin de gedichten maar niet tot leven komen. Wat bij Van Bastelaere opvalt, is een tekort aan spankracht. De diepzinnige gelaagdheid die hij aanbrengt, de oneindige meerduidigheid, heeft iets willekeurigs. Maak het zo raadselachtig, dat zin en samenhang verdwijnen. Elk gedicht begint met een vocatief: het hart wordt aangeroepen, maar de connotatie met gevoelens wordt meteen in de kiem gesmoord. Deze slingerbeweging bepaalt de bundel.

Neem de beginregels van dit vers: ,,Hart/ een Stein// van je maken, dat wil dat/ is het geval, op een rotsige kalkhelling iris,/ met hangende bloemblaadjes/ ossenbloedrood buitenmaats als portret, van het/ dynamisch duo met kraag, voertuig,/ duiven voerend op/ huwelijksreis.''

De enjambementen zijn nadrukkelijk aangezet, dat maakt de regels hortend. Het hart moet een steen worden, dat is gezien Van Bastelaeres poëtica duidelijk. Een steen op `een rotsige kalkhelling'. Akkoord. De `iris' is een blauwe bloem, onvervreemdbaar symbool uit de Duitse romantische en zo gevoelvolle literatuur. Dat beeld moet natuurlijk van zijn sentiment ontdaan worden, vandaar `ossenbloedrood'. Dit is polemiek en poëtica ineen. De volgende regels zijn zo mysterieus, dat de inzet van het gedicht teniet gaat. Dit bezwaar geldt voor bijna alle gedichten. De associaties en beeldstapelingen zijn particulier en laten zich niet binnen de context van het gedicht achterhalen of verklaren.

Anneke Brassinga veegt dan wel de vloer aan met Bloem, haar bundel Verschiet wemelt van levensangst en vergankelijkheidsbesef waarover diezelfde J.C. Bloem in onze dichtkunst het onvergetelijkst heeft gedicht, en bovendien: zeer vormvast. Verschiet is een bundel met zware thema's. Ook bij haar komt het hart herhaaldelijk aan de orde, zoals in `Aanzoek':

,,Een klein maar taai oneetbaar hart blijft fier/ zich weren tegen binnenschuivend donker. Blijf./ Blijf met mij hokken in dit schrale ribbenkast/ in het innig bed van geest, bij het weerlicht/ getemperd door weemoed, van ons verstand.''

Elders dicht Brassinga over de ,,hartstocht zal weer jagen gaan,/ in het bange hart de weerhaak slaan totdat// als dood konijn 't in alle rust verbloeden mag''. Het bewust onpoëtische `dood konijn' komt voort uit Brassinga's angst, die ze deelt met Van Bastelaere, om sentimenteel te zijn. Brassinga streeft wel degelijk een emotioneel effect na bij de lezer, zoals in het pathetisch aangezette gedicht `Smartbom': ,,Blind van dove domme liefde,/ lichtend lam, in afgrond zwart./ Waar kan het hart op zoek/ naar huis een krater slaan?'' Er staan enkele bewogen verzen in Verschiet, maar ook beduidend minder sterke. Brassinga bedient zich, ondanks alle verzet, van een laat-romantisch register, zoals in deze ode aan Mozart: ,,Regen stijgt bij heldere lucht – stamelingen/ zij dwalen maar wat, zwevend blijvend/ buigen alle tonen ten mineure af en mee met hun wijken// glipt het hart.''

De dichter Jacques Hamelink, die in het begin van de jaren zeventig aardse bundels schreef als Een koude onrust en Oudere gronden, overschrijdt met Zilverzonnige en onneembare maan de grens van verstaanbaarheid. Ooit, in het essay De droom van de poëzie (1978), verzette hij zich tegen gedichten die de lezer buitensluiten. Doel van zijn aanval vormden de Cantos van Ezra Pound. Als lezer voelde Hamelink zich `geëxcludeerd' door deze `amorfe' taalmassa met zijn `astronomische hoeveelheid' aangesleept materiaal. Hamelinks poëzie van nu is eveneens overdadig in haar associaties, beelden, verwijzingen naar verre en veelal onbekende culturen en puttend uit woordenschatten waarvan ik het bestaan niet vermoedde. Het zijn eerder klankgedichten, soms fascinerend van taal, maar ook aardedonker. Een voorbeeld: ,,Waarom zouden wij niet alvast, apeschool van het grauw samengedromd/ beidend onze Gelauwerde, dat schuinse straatliedje inzetten? Perzië// dekt de Peri. Patriarchecommando. `Koren graag, litanieën van Sion/ vandaag, kindertjes.' Een witharige wijnneuzin optornend tegen haar// bloembos (-).''

De gedichten van Gerbrandy in De zwijgende man is niet bitter zijn op a-poëtische wijze hoekig, nors en rauw. Hij gooit tal van grammaticale regels overboord en schrijft in een strikt eigen idioom met dwarse constructies. Regels zonder werkwoord, lidwoorden gaan overboord, de associaties zijn soms krankjorem. Het levert adembenemende poëzie op, zoals in het openingsgedicht, dat gaat over het schrijven: ,,Ik probeer een begin met lupine, met mezen/ op handen vol brood. Volgt later verdieping/ of niet. (-) Ik probeer een begin tussen gekken in sletkast/ met schuifraam voor kameraden, met leeg staande/ nissen vol spin. Vaar schuiten, drink thee,/ snoer mij vast in omarming van katers vermijdende/ liefde zich noemende misstap. (-) Ik probeer een begin met pioenen.''

Paukenslag

Gerbrandy duwt de taal over de rand van het poëtische; als hij al zou zingen op dichterlijke wijze, is dat met ruige stem begeleid door bonkige paukenslag. Voor mij is de grootste verrassing en de mooiste, meest volledige bundel Geen man, want geen vrouw door Gerrit Krol. De spanning tussen iets benoemen (these) en de tegenstelling daarvan (anti-these) overheerst op schitterende wijze. Het is poëzie die raakt aan proza, het zijn gedichten als verhalen, cantabile verteld. Krol bereikt een prachtige synthese tussen vormbesef, lyriek en verstaanbaarheid. Hoe lang de gedichten ook zijn, ze werken duidelijk naar een laatste beeld, dat, als een slotakkoord in de muziek, het hele gedicht in zich sluit.

Krol leert de lezer, net als in zijn andere werk, anders naar de werkelijkheid te kijken. Hij draait de wereld een kwartslag, waardoor een nieuw perspectief ontstaat. Het gedicht `Zeemansgraf' is emotionerend, beheerst van toon. Deze poëzie roept wel degelijk ontroering op. Het is dan ook verkeerd gedacht dat dat niet moet. Het gaat over de vernietiging van een Nederlands marineschip bij de Slag in de Javazee in de Tweede Wereldoorlog: ,,Niet 's nachts, maar 's ochtends tussen de kleurige koralen./ In het schijnsel van de zon. In het blauwe schijnsel van de maan bloeit een zeeanemoon. In het groene licht schittert een mijn.// Geen mijn, want niet gezien.// Geen kleur, maar op de schoorsteenmantel een foto, zwartwit, in een zilveren lijst. Zonlicht zwart.// Niet het licht van de zon, maar van het afweerkanon.''

Dat bewijst Krol: alles kan in zijn tegendeel verkeren. Een anemoon blijkt een mijn. Geen al te particuliere, moeizaam te doorgronden associaties. Krol ziet beelden als gelijkenissen en in één moeite door als elkaars tegenstelling. In dit spanningsveld ontstaat poëzie van hoge orde.

Anneke Brassinga: `Verschiet', uitg. De Bezige Bij; Dirk van Bastelaere: `Hartswedervaren', uitg. Atlas; Piet Gerbrandy: `De zwijgende man is niet bitter', uitg. Meulenhoff; Jacques Hamelink: `Zilverzonnige en onneembare maan', uitg. Querido; Gerrit Krol: `Geen man, want geen vrouw', uitg. Querido.

De feestelijke uitreiking van de VSB Poëzieprijs 2002 vindt plaats op zondag 26 mei in De Rode Hoed, Keizersgracht 102, Amsterdam. Aanvang: 20.25u. Res.: (020) 6385606; www.rodehoed.nl.