Wilde ganzen

In de dagen dat de wilde ganzen nog niet in groten getale langs de snelweg boerengras met uitlaatroet stonden te vreten, werd er nog veelvuldig op ze geschoten. Daardoor waren ze zo schuw dat ze in het diepst van de natuur verbleven. En zelfs daar gedroegen ze zich als verzenuwde vluchtelingen.

Ik nog nooit een wilde gans gezien en zat met Tineke, op wie ik hevig verliefd was maar dat niet durfde zeggen, in de Hengstenpolder en bestudeerde een zweefvlieg op een boerenwormenkruidje. Ik kon haar vertellen dat het diertje wel op een bij leek, maar helemaal geen bij was en daarom ook niet in de korf ging vertellen dat hij voortreffelijke nectar op een boerenwormkruid op 284 meter noordnoordnoordoost van de korf had gevonden.

,,Waar is die korf dan'', vroeg Tineke.

,,Er is geen korf, want dit is een zweefvlieg en die slaapt 's nachts in zijn eentje onder een blaadje en heeft geen huis'', zei ik.

We zwegen lang en ik zag de zon in heur haar spelen waar ik ook wilde spelen.

De zweefvlieg, een ordinaire Eristalis intricarius, was verdwenen.

,,Maar stel'', zei ze nadenkend, ,,dat het geen zweefvlieg was maar een bij die thuis moest gaan vertellen dat ze zulke lekkere honing had gevonden, hoe vertelt ze het dan thuis?''

,,Dan gaat ze een rondje dansen op een raat'', zei ik, ,,en dan zitten de andere werksters eromheen en dan schudt ze met haar achterlijf en dan kunnen ze precies zien wáár de honing is, hoeveel en hoever.''

,,Zó zo'n beetje?'' zei Tineke en schudde haar achterlijf waarbij ik opmerkte dat haar jonge borsten contra bewogen.

We zwegen.

Ik plukte een bloeiend varkensgrasje en legde dat in haar schoot.

,,Ik ben geen bij'', glimlachte ze.

Ondraaglijk zwijgen.

Ik roeide ons terug, de grote rivier over.

Toen... toen we achter een krib vandaan kwamen, dreven daar op het water, wilde ganzen, een groep van zeker dertig grauwe ganzen, de eerste van mijn leven. De ganzen van de ongekende vrijheid, die van het verlangen naar wat we niet kenden... Lappen, toendra's, bergmeren, bloedrode hemels, knappende houtvuren, schroeiende vlezen, een herdersfluit...

,,Ganzen!'' riep ik.

Ik schatte ze op meer dan tweehonderd meter.

De koppen gingen omhoog. Een verontrust gegak, ze vlogen ordelijk op, licht watertrappend, dan hoogte winnend, al snel kerfjes tegen de avondlucht.

,,Ganzen'', zei ik, ,,echte wilde ganzen uit het noorden.''

,,Ik heb het koud'', zei ze en nestelde zich in mijn armen.