Straf tegen recidive leidt zeker niet tot minder misdaad

Het voorstel van demissionair minister van Justitie Korthals om recidive strafbaar te stellen berust op het waanidee dat meer straf leidt tot minder misdaad, meent Hendrik Kaptein.

Het kabinet is weg, de criminaliteit nog niet, maar minister van Justitie Korthals heeft net voor zijn demissie de Tweede Kamer per brief meegedeeld hoe de misdaad moet worden `opgelost'. Algemene strafbaarheid van recidive moet als zodanig worden vastgelegd in de wet. Wie de misdaad niet kan laten, moet alleen al daarom harder worden aangepakt. Populisme roert zich in de politieke coulissen, de minister slaat een nog fermere toon aan, als de Kamer meedoet, kan de gewone man weer veilig over straat (lijkt ook een meerderheid in die Kamer te vinden).

Inderdaad zijn er statistieken die stellen dat meer dan de helft van alle strafbare feiten moet worden toegeschreven aan 10.000 daders, ofwel 5 procent van alle verdachten. Wat ligt dan meer voor de hand om die kleine groep hard aan te pakken, als dat grote gevolgen in de goede richting oplevert? Wie weet dat hij een volgende keer echt voor schut gaat, zal het toch laten?

Zo lijkt het, maar om ten minste vier redenen is strafbaarstelling van recidive een gevaarlijk plan: `de' recidivist is een statistische illusie, gevangenisstraf werkt recidive juist in de hand, strafbaarstelling van recidive dient geen zinvol strafdoel en gevaren van recidive moeten met andere dan strafrechtelijke middelen worden aangepakt.

Over de statistische illusie van `de' recidivist: beeldbepalende recidivisten zijn de Marokkaanse straatrover, de beroepsinbreker en nog wat ongure types uit het grote boevensprookjesboek. Dergelijke figuren komen nogal eens in aanraking met politie en justitie en zo komen zij in statistieken terecht (en in de media en dus ook in de politiek). Levenslang frauderende accountants, advocaten en aandelenhandelaren worden op een enkele spraakmakende uitzondering na door justitie niet gehinderd en komen in recidivestatistieken dan ook niet voor. Nog afgezien van recidive door junks en hun toeleveranciers als gevolg van verdoving van het strafrecht door drugs, waardoor meer dan tweederde van de capaciteit van justitie in rook opgaat.

Bovendien zeggen statistieken niets over sterk uiteenlopende oorzaken van recidive. Wat is er gemeenschappelijk aan een dwangmatig seksuele herhalingsdader en een taxichauffeur die toeristen tilt? Tegen seksuele en andere dwangmatigheid helpt meer (gevangenis)straf helemaal niet en ook al zou de calculerende opportunist het gevaar van straf meerekenen, dan nog is de kans klein dat die dreiging hem op het rechte pad houdt. Al was het maar door de veel te kleine pakkans. Heeft een crimineel wél gezeten, dan is de kans groot dat straf alleen maar averechts werkt. Ook op het ministerie van justitie zuchten de planken onder stoffige stapels rapporten over de marginaliserende en criminaliserende werking van gevangenisstraf. Langer straffen maakt dat alleen maar erger.

Maar straf is toch ook vergelding? Straf is toch verdiend? De terugkomst van de vergeldingsgedachte is een drijvende kracht achter de verharding van het strafrecht. Alleen is nog steeds niet goed uitgelegd wat die vergelding eigenlijk inhoudt. De vermaarde strafjurist Modderman schreef al in 1864: ,,Bij de moreele vergeldingstheorieën b.v. komt het vraagstuk [van de maat der straffen] hierop neêr: hoeveel zinnelijk leed is er nodig om een zedelijke schuld te delgen? Overdrijf ik, wanneer ik beweer, dat hierop evenmin een antwoord kan worden gegeven, als op de vraag, hoeveel duim ijzer er noodig is, om een lakenschen rok te maken??''

Vergelding is hooguit zinvol in de vorm van eigenhandige schadevergoeding door de dader (vergelding is retributie en retribuere betekent niet voor niets: vergoeden). Maar taakstraffen en andere `restauratieve' straffen worden door de minister juist uitgesloten als het om recidive gaat. Verder kan straf als vergelding hooguit dienen tot genoegdoening voor slachtoffers, als uitdrukking van publieke solidariteit met hen. Maar slachtoffers van delicten hebben met recidive niets te maken, alleen met de gevolgen van tegen hen gepleegde delicten. En: wat moet er aan recidive als zodanig worden vergolden? Het hele recidivebegrip is een product van misplaatst preventiedenken.

Strafbaarstelling van recidive als zodanig dient dan ook geen zinvol strafdoel (afgezien van uitzonderingen als puntenstelsels voor beginnende automobilisten). Recidive moet met andere middelen worden aangepakt. Misschien moeten in de sfeer van maatregelen meer mogelijkheden komen om een heel kleine groep dwangmatig levensgevaarlijke daders levenslang uit het verkeer te nemen. Voor zover recidive verder te bestrijden valt, gaat het om vanzelfsprekende verbeteringen die dezelfde minister en eigenlijk de hele politiek gewoon hebben laten liggen: vergroting van de veel te lage pakkans, niet alleen voor frauderende advocaten maar ook voor Marokkaanse straatrovers, veel snellere afdoening, meer preventie met andere dan strafrechtelijke middelen en vooral: betere opvoeding en beter onderwijs, ook voor allochtonen.

Korthals' criminele klok- en klepelkunde is een door electorale motieven ingegeven herhaling van de waanidee dat meer straf leidt tot minder misdaad. Ook tegen recidive leidt dat alleen maar tot contraproductieve verharding van de strafrechtspleging en verwaarlozing van al die andere dingen die allang hadden moeten gebeuren tegen recidive en misdaad in het algemeen. Wie is hier de gevaarlijke recidivist?

Algemene strafbaarheid van recidive zal toch wel door de Kamers komen, naar het politiek/ambtelijk adagium dat het plan te gek is voor woorden en dus wel zal worden uitgevoerd. Verstandige strafrechters zullen door die politieke kermisvertoning niet op hol slaan. Zij hoeven immers niet alles op te leggen wat een ministerieel gedirigeerd openbaar ministerie tegen recidive gaat eisen.

Dr. H.J.R. Kaptein doceert rechtsfilosofie aan de Universiteit van Amsterdam.