Stop zwakke kranten in publiek bestel

Het is de hoogste tijd dat uitgevers antwoord geven op de vraag of ze met hun sterke kranten op de vrije markt willen opereren en voor de zwakke een veilige plek binnen het bestel willen inruimen, meent Theo van Stegeren.

Op het bureau van staatssecretaris Van der Ploeg van Cultuur stapelen de pleidooien voor financiële steun aan dagbladen zich op. Het Bedrijfsfonds voor de Pers wil, zo blijkt uit een vorige week verschenen nota, dat er een `noodfonds' van tien miljoen euro voor regionale kranten komt. Het Commissariaat voor de Media liet twee weken eerder in een rapport weten dat vooral uitgeverij PCM voor `een moeilijk dilemma' komt te staan als die de pluriformiteit van haar kranten wil bewaren, en bepleitte een wetswijziging die gerichte financiële overheidssteun aan titels binnen concerns mogelijk maakt.

Ook de journalistenvakbond NVJ liet van zich horen. De bond stuurde een brandbrief aan de mediaspecialisten van de Tweede Kamer, met een afschrift aan Van der Ploeg. In de brief wordt berekend dat van de 47 dagbladen die in 1990 bestonden, er nu nog 32 over zijn, en dat de afwezigheid van jongere lezers, allochtone lezers en adverteerders er zeker nog meer zal doen sneuvelen. De journalisten suggereren oplossingen die stuk voor stuk actieve medewerking van de overheid vergen: verlaging van de BTW, versoepeling van regels voor de bezorging, projectsubsidies, en gesubsidieerde `inburgeringsabonnementen' voor nieuwkomers in de samenleving.

Nu heeft de overheid ruime ervaring met financiële steunverlening aan kranten, en die is niet louter positief. Vaak verdween het geld in een bodemloze put, was het allemaal too little and too late. Van de negentien kranten die in het verleden uitkeringen of kredieten ontvingen, zijn nu nog acht in leven.

Het ondergangsproces bij gesubsidieerde kranten werd vaak bespoedigd door de ambivalente houding van uitgevers, die in hun hart bleven geloven dat `de markt' uiteindelijk altijd gelijk heeft. Die ambivalentie heerst nog steeds. Heel wat uitgevers bestrijden het standpunt dat iedere krantentitel bij voorbaat een onvervangbare waarde in onze democratie vertegenwoordigt. Ook voor kranten, redeneren ze, is er een tijd van komen en een tijd van gaan. Bovendien bestaan er genoeg tijdschriften, radiostations, televisiezenders en websites die de burger ook goed informeren en voor pluriformiteit blijven zorgen.

Men moet deze uitgevers nageven: het dagblad boet pijlsnel aan unieke waarde in. Lange tijd vormde de krant een superieur medium, een wonder van nieuwswaarde, veelzijdigheid en gedegenheid, dat iedereen `wijzer' maakte die er maar de tijd voor nam. Maar die laatste bijzin heeft helaas op een akelige manier aan betekenis gewonnen: wie neemt nog de tijd voor de krant? Achttien minuten brengt de gemiddelde lezer nu nog door met zijn dagblad. Vertaal die achttien minuten in gelezen kolommen, en de vraag rijst hoeveel de krant nog voor onze meningsvorming betekent. Het contact tussen de lezer en zijn dagblad lijkt steeds meer op dat tussen mensen en radio, televisie, teletekst of internet, en het leesgedrag van jongeren belooft nog minder goeds voor de toekomst.

Toch is het te vroeg om de rol van de krant voor uitgespeeld te verklaren. Miljoenen mensen gebruiken haar nog als informatiebron, ontmoetingsplaats en naslagwerk, al doen ze dat dan steeds oppervlakkiger. En vooralsnog is geen van de andere media in staat die hybride functie van het dagblad over te nemen.

Het is de hoogste tijd dat overheid en uitgevers een keuze maken. Met een noodfonds van tien miljoen euro, een verlaging van de BTW of `inburgeringsabonnementen' voor allochtonen redden ze op den duur geen kwakkelende krant van de ondergang, en het verleden leert dat ook tijdelijke projectsubsidiëring haar beperkingen kent. Alles hangt af van de principiële vraag of ze het instituut `krant' aan de vrije markteconomie willen blijven toevertrouwen. Als ze dat doen, zullen er titels blijven verdwijnen, zullen formules uitgehold en arbeidsplaatsen geschrapt blijven worden, zullen burgers dagbladen verliezen waarin ze hun ideeënwereld herkenden, en zullen steden en gebieden zonder eigen krant komen te zitten.

Uitgevers en overheid kunnen ook vaststellen dat sommige kranten, net als omroepen, weliswaar een onmisbare rol in de informatievoorziening en meningsvorming spelen, maar dat `de markt' die rol niet kan waarborgen. En net als bij de omroep kan dat de weg naar structurele financiering openen, naar de ontwikkeling van een partieel publiek dagbladbestel (dat uiteraard een vorm verdient die politieke inmenging verhindert).

Het zal nog knap lastig te bepalen zijn welke kranten wel, en welke niet voor plaatsing in dat bestel in aanmerking komen. Maatgevend zou kunnen zijn of een krant structureel verliesgevend is, of ze een herkenbaar gedachtegoed vertegenwoordigt, respectievelijk of ze de laatst overgebleven krant in een regio is. Maar doorslaggevend zal zijn of uitgevers een dergelijke spagaat willen maken, of ze met hun sterke kranten op de vrije markt willen opereren en voor de zwakke een veilige plaats in een publiek bestel willen inruimen.

Staatssecretaris Van der Ploeg zou er goed aan doen die principiële keuze te maken en te laten maken, alvorens de gevraagde cheques te overhandigen.

Theo van Stegeren is publicist.