Het boek, de prijs en de cultuur

Tot 2005 heeft Nederland een vaste boekenprijs. Over wat er daarna met deze cultuurpolitieke maatregel zou kunnen gebeuren, verscheen gisteren een rapport. Een Europees beleid is er nog niet, wel hebben inmiddels zeven EU-landen besloten de afspraken tussen uitgevers en boekverkopers te vervangen door een wet. Een rondgang langs de Europese praktijk.

Charles Kermarec van boekhandel Dialogues in Brest was destijds faliekant tegen de eenheidsprijs voor boeken. Hij dacht dat de vaste boekenprijs de gevestigde boekhandels en winkelketens zou bevoordelen en de concurrentie en innovatie in de branche zou frustreren door nieuwkomers buiten te sluiten. Maar daar is hem niets van gebleken. ,,Gelukkig hebben ze twintig jaar geleden niet geluisterd naar mensen als ik'', vertelde hij begin dit jaar aan Le Monde in een artikel dat het vierde lustrum markeerde van de Franse vaste boekenprijs, le prix unique du livre.

Vier keer ging in Frankrijk na de oorlog het roer om in het prijsbeleid voor boeken. Tot 1958 hanteerden de uitgevers de maximumadviesprijs, die ze stipt controleerden.

Prijsbeheersing stond voorop, en voorkomen moest worden dat de boekhandels meer winst maakten dan de uitgevers billijk achtten. Te veel winst mocht niet, maar verlies was nu ook weer niet de bedoeling.

Toch dreigde dat voor menige boekwinkelier toen met name de warenhuizen, de FNAC-winkels voorop, de wervende kracht van kortingen ontdekten. Zij konden wegens hun grotere omzetvolume genoegen nemen met geringere marges, die zich vertaalden in lagere boekenprijzen. Om te voorkomen dat hun stuntwerk een bloedbad onder de kleinere boekhandels zou aanrichten werd de minimumadviesprijs ingevoerd.

Twintig jaar, van 1959 tot 1979, hield dit bodemprijsregime stand. Toen maakte de rechtse regering van Raymond Barre er een eind aan. Voortaan was de boekenprijs vrij, elke vorm van adviesprijs werd verboden. Deze liberalisering leidde niet alleen tot een bescheiden prijsdaling (van 1,3 procent), maar ook tot een schisma in de FFSL, de overkoepelende belangenorganisatie van boekverkopers.

Een van de felste tegenstanders van de vrije boekenprijs was Jerôme Lindon van uitgeverij Editions de Minuit. De prijsbrekers, voerde hij aan, pretenderen wel dat ze het lezen bevorderen, maar in werkelijkheid bereiken ze uiteindelijk het tegendeel: een schraler aanbod tegen hogere prijzen. Lindon vond een willig oor bij de socialist François Mitterrand. Kort na diens verkiezing tot president, in 1981, stemde hij in met een wettelijke regeling van de vaste boekenprijs. ,,De eerste wet van de socialisten is een wet om de prijs van cultuur te verhogen'', schamperden opponerende uitgevers.

La loi Lang, zoals de wet tot op de dag van vandaag wordt genoemd naar de toenmalige minister van Cultuur, Jacques Lang, zou nog enkele jaren onderwerp van felle polemiek blijven. Maar nadat in 1985 de hoogste rechterlijke instantie, het Europese Hof van Justitie in Luxemburg, de boete bevestigde die de Franse rechter aan de winkelketen Leclerc had opgelegd wegens ongeoorloofd stunten met de boekenprijs, staakten de tegenstanders van de vaste boekenprijs de binnenlandse strijd.

Sindsdien vestigen zij hun hoop op een nieuwe Europese richtlijn uit Brussel.