Flapdrol

Hans Smolders, nummer 16 op de Lijst Pim Fortuyn, zou onlangs Antonia Viljac, een collega-kandidaat-Kamerlid, 's nachts telefonisch hebben bedreigd met de woorden: ,,Er gaat dit weekend een ongeluk gebeuren. Ik heb het geregeld. Het is goed met je, flapdrol.''

Er valt veel over zo'n bedreiging te zeggen, maar waar het mij om gaat is de keuze van het scheldwoord flapdrol, want die is opmerkelijk. Smolders woont in Tilburg (hij was ijshockeyer bij de Tilburg Trappers) en ik weet niet of iedereen daar flapdrol voor mannen én vrouwen gebruikt, maar in de standaardtaal is het toch vooral iets dat je tegen mannen zegt. De Grote Van Dale geeft dan ook als definitie `vent van niets, iemand die niets durft'.

De keuze van flapdrol is bovendien opmerkelijk omdat het zo'n zwak, zo'n weinig krachtig scheldwoord is. Ik bedoel: als je nou toch een vrouw 's nachts om drie uur uit haar bed belt om haar te bedreigen, dan had een krachtiger scheldwoord voor de hand gelegen. Keuze genoeg!

Tot slot is de keuze van flapdrol taalkundig-historisch opmerkelijk. Misschien wordt Smolders wel schromelijk onderschat. Wellicht heeft hij, als een van de weinigen in Nederland, de geschiedenis van flapdrol paraat. Want flapdrol blijkt nog helemaal niet zo oud te zijn. Het is in 1899 gevonden in het beruchte Kamertjeszonde van Herman Heijermans (,,Is me dat 'n flapdrol van 'n meid!'') en in 1906 werd het opgetekend in de Amsterdamse dieventaal. De oorspronkelijke betekenis was `meid waar geen boon aan gelegen is', zeg maar `vrouw van laag allooi, vrouw die helemaal niks waard is'. Kortom, het was aanvankelijk iets dat je alleen tegen een vrouw zei, en niet tegen een man.

Zo zie je maar: ook op het punt van de taalgeschiedenis moet je de leden van de Lijst Pim niet onderschatten.