Erudiet kunstkenner

De oud-museumdirecteur en kunstcriticus Abraham Marie Hammacher is vorige week vrijdag op 104-jarige leeftijd in Abano in Italië overleden. Bram Hammachers liefde voor Italië was een belangrijke inspiratiebron voor zijn beschouwingen over kunst. Voor zijn eerste bezoek aan Florence in 1921 bestudeerde hij Jacob Burckhardt en Italiaanse kunst van de vijftiende eeuw. Dezelfde oude fascinatie keert terug in een onlangs verschenen essay, Van Gogh and Italy, waarin hij Van Goghs verwijzingen naar Giotto, Dante en Petrarca in verband brengt met diens verblijf in het zuiden. Het artikel is kenmerkend voor Hammachers eruditie en levendige geest. Hij concentreerde zich op de persoon van de kunstenaar en de omgeving waarin kunst ontstond en floreerde: ,,Mij interesseerden altijd briefwisselingen, dagboeken, het ontstaansproces en het kunstwerk zelf. Wat zoekt zo'n man, wat gaat er in hem om?'' zei hij in 1995 in een interview in deze krant.

Hammacher was autodidact. Als student notarieel recht schreef hij vanaf 1919 kunstkritieken voor het Utrechtsch Dagblad en later voor de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Begin jaren twintig trad hij in dienst van de PTT, waar hij via oprichter J.F.van Royen betrokken raakte bij de Esthetische Dienst (dit jaar helaas opgeheven). In 1932 publiceerde Hammacher een boek over Antoon Derkinderen, de eerste van een indrukwekkende reeks over onder anderen Charley Toorop, Barbara Hepworth, Seurat, Magritte, Chabot, en een internationaal gerespecteerd standaardwerk: The Evolution of Modern Sculpture. Tradition and Innovation (1969). Hoogtepunt van het directeurschap van het Kröller-Müller Museum dat hij van 1948 tot zijn pensioen in 1963 bekleedde, was de opening van de beeldentuin. Hij verrijkte de verzameling met belangrijke werken van internationaal bekende beeldhouwers. Ter gelegenheid van zijn honderdste verjaardag organiseerde Hammacher voor dit museum nog een tentoonstelling over vier Spaanse beeldhouwers: Picasso, González, Miró en Chillida.

Begin jaren vijftig werd hij benoemd tot buitengewoon hoogleraar kunstgeschiedenis aan de TU in Delft; in 1958 volgde zijn benoeming tot doctor honoris causa aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Zijn bevlogen aanpak botste soms met kunsthistorici die meer gericht zijn op het verzamelen van feiten en methodologische kwesties. Hem werd verweten methodologisch niet vernieuwend te zijn, maar ik denk dat zijn geschriften, juist door de diepgaande betrokkenheid bij het artistieke scheppingsproces, steeds opnieuw lezers zullen trekken.

De reikwijdte van Hammachers herinneringen was ongeëvenaard. Wie kan nog uit eigen waarneming getuigen van het ontstaan van de abstracte kunst? De vraagstukken die Mondriaan aan de orde stelde, hebben hem nooit losgelaten: ,,Mijn oriëntatiepunt is altijd De Stijl gebleven – ruim, open voor het nieuwe.'' Tot op hoge leeftijd bezocht hij de Biënnale van Venetië, talloze tentoonstellingen en nieuwe musea. Een gedistingeerde heer met wandelstok die zo opging in wat hij zag dat je hem niet durfde te storen.