Erelid van de Explorers Club

In zijn verslag van de Kon-Tiki-expeditie vertelt Thor Heyerdahl, die vorige week op 87-jarige leeftijd overleed, over een bezoekje aan de exclusieve `Explorers Club' in New York. Wie de drempel passeerde, werd ondergedompeld in een sfeer van safari's, poolreizen en alpiene avonturen. De jonge Heyerdahl maakte er kennis met Peter Freuchen, een bebaarde Deense reus, die in vele boeken zijn leven met de eskimo's heeft beschreven.

Vermoedelijk waren deze twee mannen niet de enige Scandinaviërs die op de ledenlijst van dit illustere gezelschap voorkwamen. Je denkt algauw aan namen als Roald Amundsen, Fridtjof Nansen, Knud Rasmussen en Sven Hedin. De meesten van hen verdienden hun sporen in de poolstreken. Maar om de Noor Heyerdahl bleef altijd een zuidelijk aureool hangen, iets met kokosnoten en bloemenslingers.

Ooit luisterde hij op een Zuidzeestrand, onder ritselende palmbladeren en met de geur van bougainville in zijn neus, naar de verhalen van een oude man. ,,Tiki'', zei de grijsaard dromerig, terwijl hij in de sintels van een stervend vuurtje staarde, ,,was zowel een god als een hoofdman. Hij bracht mijn voorvaderen naar deze eilanden. Voor die tijd leefden we in een groot land aan de andere kant van de zee.''

Die woorden zouden Heyerdahl altijd bijblijven. Ze stonden aan de basis van het briefje dat hij vele jaren later (in 1947) vanuit een havenstad in Ecuador aan zijn Noorse vrienden zou schrijven: ,,Ik ga de Grote Oceaan met een vlot oversteken om een theorie te ondersteunen over de migratie van indianen uit Peru naar de Zuidzee. Komen jullie? Het enige wat ik jullie kan garanderen is een gratis reis naar Polynesië.''

In een kast met vermaarde jongensboeken mag `Kon-Tiki Ekspedisjonen', zoals de Noorse titel luidt, niet ontbreken. Voor mij markeert de Kon-Tiki de overgang van Erik de Noorman, Kuifje en Arendsoog naar de wereld van ontdekkingsreizen, reisliteratuur en antropologie.

Het boek maakte Heyerdahl op slag wereldberoemd. Meteen na de Tweede Wereldoorlog snakte het publiek naar helden, wier handen niet met bloed besmeurd waren. Heyerdahl ontpopte zich tot een internationale figuur, bij wie wetenschap en avontuur in elkaars verlengde lagen. Diep in zijn hart bleef hij een diffusionist – iemand die gelooft dat belangrijke culturele verschijnselen zich vanuit bepaalde centra verspreiden. Vertelt men elkaar in Peru en Polynesië dezelfde mythen? Komt in beide gebieden de zoete aardappel op het menu voor? Dan moet er ooit contact zijn geweest, wellicht via vlotten van balsahout. Dat er zowel in Egypte als in Mexico piramiden voorkomen, houdt in dat het `idee piramide' mogelijk via een rieten bootje van de Oude naar de Nieuwe Wereld verscheept moet zijn, wat Heyerdahl met de Ra-expeditie probeerde aan te tonen.

Van zijn lezers kreeg Heyerdahl de waardering die de wetenschap hem onthield. Antropologen waren van mening dat de prestaties van Heyerdahl op het terrein van de watersport lagen en niet op dat van de volkenkunde. Ook haalde men de schouders op voor de raadsels die Heyerdahl op Paaseiland opgelost meende te hebben. In `Aku-Aku', dat wederom de geest van het avontuurlijke jongensboek ademt, vertelt de Noorse onderzoeker over zijn geweldige vondsten in verborgen grotten. In het holst van de nacht sloop hij met bevende gidsen, die beducht waren voor akoe-akoes (beschermgeesten) naar de grotten, die volgestouwd waren met schitterende maskers en beelden. Volgens deskundigen hadden de Paaseilanders hun bezoeker voor de gek gehouden – de stenen beelden waren de `allergrofste vervalsingen'.

Nee, de ruim honderd dagen durende reis met het Kon-Tiki-vlot blijft toch het kroonjuweel onder Heyerdahls expedities. Niemand gaf de opvarenden een schijn van kans om de eilanden achter de kim te bereiken. Stormen zouden het primitieve vaartuig in stukken slaan. Het met zeewater verzadigde balsahout zou onder hun voeten wegzinken. Door de zon en het zout zou de huid van de bemanning wegbranden. Al deze rampen bleven hun bespaard. Na ruim drie maanden strandde het vlot op een koraalrif voor de kust van een van de Toeamotoe-eilanden. Alleen de scheepspapegaai, die door een hoge golf werd gegrepen, overleefde de reis niet.

Hoewel er klappernoten en een lading blikvoedsel aan boord waren, probeerde men onderweg zoveel mogelijk van de zee te leven. Vliegende vissen hielpen hen daarbij. Soms kropen er inktvissen, die aan hun belagers trachtten te ontsnappen, op het dek. Heyerdahl doopte de pen, waarmee hij dagelijks in het journaal schreef, in hun inktzak.

Maar ondanks de geslaagde overtocht geloofde nog bijna geen mens dat indianen uit Zuid-Amerika onder leiding van koning Kon-Tiki de eilanden van de Zuidzee zouden hebben bereikt.