Conceptuele kunst is spelen om het spel

,,Kunst verandert de waardenstructuur van de manier waarop wij naar de wereld kijken. Kunst is iets dat zijn plek binnen de structuur nog niet gevonden heeft. En als het zijn plek eenmaal vindt, dan raakt het zijn waarde niet kwijt, het wordt een referentiepunt.'' Aldus Lawrence Weiner in een interview in Stedelijk Museum-bulletin, naar aanleiding van de tentoonstelling Conceptuele kunst 1965-1975. Een goede definitie van kunst van een beeldhouwer die in 1968 besloot dat zijn ideeën voor sculpturen niet per se hoeven te worden uitgevoerd, maar ook in talige vorm als kunstwerk kunnen voldoen.

In de conceptuele kunst is het idee zelf, ook als het niet gevisualiseerd is, evenzeer een kunstwerk als ieder voltooid werk. Conceptuele kunst bestaat dan ook voor een groot deel uit documenten, notities, tijdelijke installaties en registraties van eenmalige `gebeurtenissen'. Zoals de prachtige terugblik in het Stedelijk laat zien, is conceptuele kunst een kunst die staat in het teken van lichtheid, van geestelijke vrijheid, scherpzinnigheid en helderheid. Het is spelen in de beste zin van het woord: onbekommerd, met het spel zelf als hoogste doel. Een conceptueel werk is dan ook alleen geslaagd wanneer de kunstenaar de door hem geconstrueerde spelregels serieus heeft genomen. Zo hanteert On Kawara voor zijn Today Paintings sinds 1966 de regel dat ze binnen een dag moeten zijn voltooid. Hoe consequenter de kunstenaar zijn spel volhoudt, hoe overtuigender zijn oeuvre is, zoals blijkt uit het werk van bijvoorbeeld Stanley Brouwn en Joseph Kosuth.

In het Stedelijk zijn ruim 280 kunstwerken en documenten bijeengebracht die de geschiedenis van de conceptuele kunst in Nederland in beeld brengen. De werken zijn afkomstig uit Nederlandse en Belgische particuliere en museale collecties. Nederland speelt in de ontstaansgeschiedenis van de conceptuele kunst een belangrijke rol. Dit alles staat goed beschreven in de zorgvuldig samengestelde en mooi vormgegeven catalogus. De tentoonstelling is het initiatief van drie conservatoren van het Stedelijk, met als aanleiding het gegeven dat het werk van de jongste generatie kunstenaars sterk conceptueel gericht is.

Op de expositie zijn de oorspronkelijke notities van Sol LeWitt te zien (en te lezen uiteraard), zoals zijn onsterfelijke Sentences on Conceptual Art (1969), waarvan de eerste 3 regels luiden: ,,1. Conceptual artists are mystics rather than rationalists. They leap to conclusions that logic cannot reach. 2. Rational judgements repeat rational judgements. 3. Illogical judgements lead to new experience.'' Ook is er de Krijtcirkel van ongeveer twee meter doorsnede van Ian Wilson, het laatste `materiële' werk dat hij uitvoerde. Sindsdien vat hij de mondelinge communicatie met het publiek op als zijn kunst. De strepen die Daniël Buren in 1983 aanbracht in de bogen van de hal van het museum zijn nu weer aangebracht. Van On Kawara zijn prachtige werken te zien, waaronder zijn One Million Years (`for all those who have lived and died'), met de hand getypt en gebundeld in dikke zwarte boeken, en van Gilbert en George een van hun beste video's, Gordon's Makes Us Drunk (1972). Het enige dat op de expositie afgedongen kan worden is dat de inrichting plichtmatig is, met weinig gevoel voor de ruimtelijke dimensie van de werken. De schilderijen van On Kawara bijvoorbeeld behoeven daglicht, en de palmen van Marcel Broodthaers vormen niet de L'Entrée de l'Exposition zoals ze zijn bedoeld.

De kunsthistorici Carel Blotkamp en Camiel van Winkel schetsen beiden een pessimistisch beeld van de uitwerking en de betekenis van de conceptuele kunst. Blotkamp stelt dat deze kunst al vanaf 1969 geïnstitutionaliseerd en gemusealiseerd raakte. Volgens Van Winkel is het conceptuele kunstwerk een idée fixe en heeft het `dwangbeeld van de dematerialisatie' zijn eigen failliet in zich, omdat zonder materiële drager nu eenmaal niemand kennis kan nemen van een concept.

Dit pessimisme is volkomen onterecht. Niet alleen is de jongste kunst schatplichtig aan de conceptuele kunst, belangrijker is dat er een hele generatie kunstenaars is opgeleid door de conceptkunstenaars van het eerste uur (onder wie Dibbets en Brouwn) en is gevormd door het destijds vernieuwende, qua belang niet te onderschatten tentoonstellingsbeleid van Rudi Fuchs in het Van Abbemuseum. Voor deze generatie, nu tussen de veertig en vijftig jaar oud, is het ideaal van Piero Gilardi ,,van een kunst die het maatschappelijk leven niet slechts reflecteert maar ook als middel kan dienen om daar veranderingen ten goede teweeg te brengen'' (Blotkamp), springlevend. De conceptuele kunst is niet meer weg te denken uit het bewustzijn van ieder die zich sinds de jaren zestig met kunst bezighoudt, en is daarmee een essentieel `referentiepunt', zoals Weiner het noemt, geworden.

Tentoonstelling: Conceptuele kunst (1965-1975) uit Nederlandse en Belgische verzamelingen. T/m 23-6 in: Stedelijk Museum, Paulus Potterstraat 13, Amsterdam. Open dag. 11-17u. Cat. E40. Inl. (020)5732911 of www.stedelijk.nl.