Aan Kabul hebben we onze handen al meer dan vol

De Nederlandse regering moet niet ingaan op verzoeken om het mandaat voor de internationale troepenmacht in en rond de Afghaanse hoofdstad Kabul uit te breiden. De lessen van Srebrenica laten geen andere conclusie toe, meent Arend Jan Boekestijn.

Bij al het menselijk leed dat de noodlottige gebeurtenissen in Srebrenica hebben veroorzaakt, is er één lichtpuntje. Onze politici zouden de tragedie in Srebrenica kunnen aangrijpen om een realistischer buitenlandse politiek te gaan voeren. Voortaan kunnen wij niet meer volstaan met goede bedoelingen, maar zullen wij ook rekening houden met de mogelijke gevolgen van ons handelen.

Een aardige testcase dient zich aan in Afghanistan, waar 200 Nederlandse soldaten deelnemen aan een internationale vredesmissie. Nu VN-chef Kofi Annan en de interim-regering in Kabul het Westen onder druk zetten om de internationale veiligheidsmacht ook buiten Kabul en omstreken te laten opereren, kunnen we zien of Den Haag zich niet alleen maar met intenties maar ook met uitkomsten bezighoudt. Of om het geleerder te formuleren: of Den Haag kiest voor een Verantwortungsethik in plaats van de hier te lande zeer populaire Gesinnungsethik.

Tot nu toe hebben de deelnemende landen aan de veiligheidsmacht in Afghanistan de druk weerstaan ook in andere steden dan Kabul te opereren. Nu in Tokio miljardenhulp is toegezegd en president Bush recentelijk `Marshall-hulp' voor Afghanistan in het vooruitzicht heeft gesteld, zal de druk nog verder worden opgevoerd. De hulp kan immers niet worden uitgegeven indien er geen veilige situatie bestaat. Wat heeft het voor zin geld te geven indien het door de onveiligheid niet eens Afghaanse burgers kan bereiken?

Er zijn echter goede redenen waarom de internationale vredesmacht zich toch tot Kabul en omstreken zou moeten blijven beperken. Om een herhaling van het drama van Srebrenica te voorkomen heeft de Tweede Kamer een toetsingskader ontwikkeld waaraan vredesmissies moeten voldoen. Er moet een goede vredesregeling zijn en een bestand, een helder mandaat, juiste bewapening, goede geweldsinstructies, een `exitstrategie' en een beperkte tijdsduur. Voorts is het belangrijk dat de grote mogendheden erbij zijn betrokken om te voorkomen dat Nederland in een geïsoleerde positie komt te verkeren. En het is van het grootste belang dat de vredesmissie onderschreven wordt door alle voormalig strijdende partijen.

De vredesmissie in Kabul voldoet redelijk aan deze criteria. De veiligheidsmacht wordt ontplooid op uitdrukkelijk verzoek van de nieuwe Afghaanse autoriteiten. Het mandaat is krachtig en helder: het assisteren van de Afghaanse interim-regering bij het handhaven van de veiligheid in Kabul en omstreken. De veiligheidsmacht mag desnoods met militair geweld optreden om de veiligheid in Kabul te handhaven. Het betreft hier geen operatie onder leiding van de bureaucratische VN maar onder leiding van een Coalition Coordination Group onder voorzitterschap van de lead nation Groot-Brittannië. Er is een goede exit-strategie, waarbij op hulp van de Amerikanen kan worden gerekend. Er is geen `dubbele sleutel' en Nederland houdt te allen tijde full command. De duur is zes maanden; na drie maanden komt er een nieuwe eenheid. Voorts hebben de Britten in hun positie van Force Commander ook de beperkingen van de veiligheidsmacht vermeld. De veiligheidsmacht hoeft niet strijdende partijen te scheiden, toezicht te houden op zware wapens, zorg te dragen voor openbare orde, operatie Enduring Freedom te ondersteunen, Afghaanse burgers te beschermen of op te treden tegen criminaliteit en drugshandel. Je kunt de Britten om een boodschap sturen.

De missie lijkt dus zeer degelijk te zijn aangepakt. Toch zijn er ontwikkelingen aan de gang die de vredesmacht in een lastige positie zouden kunnen brengen en die op gespannen voet staan met de gedachte om de veiligheidsmacht ook in andere steden te laten opereren.

In de eerste plaats is de strijd tegen Al-Qaeda nog lang niet gestreden. Afghanistan is ruim vijftien keer zo groot als Nederland. Vrijwel geheel het land bestaat uit een hooggebergte dat voor het grootste gedeelte 3000 meter of hoger boven de zeespiegel ligt. Omdat de Amerikanen hebben verzuimd zelf troepen te sturen naar Tora Bora hebben Osama bin Laden en zijn strijdmakkers zich op andere ijle bergtoppen verschanst. Het ziet er niet naar uit dat de Amerikanen en hun bondgenoten hen daar snel zullen kunnen uitschakelen. Dat betekent dat de vredesmacht in Kabul en zeker daarbuiten rekening zal moeten houden met aanslagen van Al-Qaedastrijders. Er is dus eigenlijk geen echt bestand.

In de tweede plaats is het post-Talibaanregime hopeloos verdeeld. Dat kan ook niet anders in een land waar geen enkele etnische groep de meerderheid heeft. De grootste groep zijn de Pathanen gevolgd door de Hazaren. Dan komen de Tadzjieken (Noordelijke Alliantie) en de Oezbeken gevolgd door de veel kleinere Turkmenen en Kirgiezen. Veel van deze groepen hebben in het verleden met elkaar aan de stok gehad. Hun lokale krijgsheren bereiden zich reeds voor op de volgende oorlog.

Bovendien is er sprake van een organisatorische onevenwichtigheid. De interim-premier Karzai is een Pathaan. De drie machtigste ministeries: Defensie, Binnenlandse Zaken en Buitenlandse Zaken zijn in handen van Tadzjieken maar zij komen allen uit de Panjshirvallei. Ook de 88 ambtenaren van het ministerie van Defensie komen uit dit kleine gebied. Dit betekent dus dat de veiligheidsdienst geheel in de handen is van één etnische subgroep. Dat is een recept voor oorlog.

In de derde plaats geloven de Amerikanen zelf absoluut niet in langdurige peace keeping. Zij willen daarom een Afghaans leger gaan trainen dat vervolgens zelf de nieuwe regering gaat beschermen, die, zoals in Bonn is afgesproken, deze zomer zal worden gekozen door de loya jirga (de traditionele nationale vergadering van stamoudsten). Ook de Britten en de Turken (die in de zomer de Britse leiding overnemen) willen het mandaat van de veiligheidsmacht niet uitbreiden. In deze situatie heeft het geen zin als Den Haag gehoor geeft aan de oproep van Karzai en Annan om het mandaat uit te breiden.

In Afghanistan kwam altijd veel ellende voort uit buitenlandse interventies. In de negentiende eeuw was het land een speelbal in de `Great Game' tussen het Tsaristische Rusland en het Britse Rijk in India. In de Koude Oorlog werd het land verwoest door de twee rivaliserende kampen. De Talibaan kwamen uit Pakistan. De Nederlandse troepen moeten zich daarom tot Kabul beperken en zo snel mogelijk naar huis.

De nieuwe Afghaanse regering krijgt nog even bescherming. Die bescherming zal ook na 20 juni gegeven moeten worden, maar zodra het Afghaanse leger door de Amerikanen getraind is, kan de veiligheidsmacht naar huis. Hopelijk slaagt de nieuwe Afghaanse regering er vervolgens in greep te krijgen op het platteland. Alleen dan kunnen de vele miljarden steun ook effectief worden ingezet.

Het is wel even wennen met die nuchtere Verantwortungsethik. Zeker voor onze minister-president, die ten aanzien van Srebrenica nog steeds de mening is toegedaan dat niets doen geen optie was. Wat een onzin!

Arend Jan Boekestijn is historicus en verbonden aan de Universiteit Utrecht.