Volksgevaar met tien strepen

Nederland werd de afgelopen eeuwen geteisterd door allerlei plagen: overstromingen, epidemieën, branden... Lange tijd zag het er naar uit dat ons land gevrijwaard zou blijven van ten minste een van de Egyptische tien plagen: wolken met vraatzuchtige sprinkhanen. Maar aan het einde van de negentiende eeuw diende zich een ander, evenzo gevreesd vraatinsect aan: de coloradokever. Dit kevertje, 1 centimeter groot, is vernoemd naar het gebied van herkomst: de Amerikaanse staat Colorado.

Vele eeuwen lang leefde de coloradokever onopgemerkt op wilde nachtschade (Solanum) in de Rocky Mountains. Met de komst van de kolonisten drong omstreeks 1850 hier de aardappelteelt door. De kever ging plotseling van zijn oorspronkelijke voedselplant over op de aardappel. De larven vormden een serieuze bedreiging, omdat ze in korte tijd de aardappelplant tot op de stengel kaal vraten. De kever begon aan een snelle opmars. In een kwart eeuw tijd had hij een areaal van 4 miljoen km² veroverd.

In het begin werd geprobeerd de kever met de hand te vangen, waarvoor zelfs werktuigen ontworpen werden. Er werden kippen, ganzen, eenden en kalkoenen in de aardappelvelden gedreven en er werd gewerkt met alle soorten bestrijdingsmiddelen, zoals zeep, tabakswater, carbolzuur, chloorkalk en kopersulfaat. Het enige effectieve bestrijdingsmiddel bleek het zogenoemde Parijs-groen, dat rond 1870 voor het eerst werd toegepast. Onomstreden was het middel niet. Parijs-groen bevatte arsenicum en veroorzaakte verbrandingsverschijnselen en huidaandoeningen.

In de Europese pers werd uitgebreid aandacht aan deze ramp besteed. Met graagte werd uit alarmerende berichten geciteerd: ,,Wanneer een aardappelveld eenmaal aangetast is, dan moet alle hoop op een oogst opgegeven worden; in een paar dagen is het veranderd in een droge woestenij.'' Verder werd in de Landbouw-Courant van 6 september 1877 een Amerikaanse boer uit Michigan geciteerd, die beweerde dat in Amerika door het gebruik van Parijs-groen evenveel mensen als kevers gestorven waren.

In Europa werden maatregelen getroffen om het binnenkomen van de kever te voorkomen. De Nederlandse regering wilde aanvankelijk van wettelijke maatregelen niets weten, maar kon op den duur bij de overige West-Europese landen niet achterblijven. Zo werd bij Koninklijk Besluit van 3 juli 1875 de in- en doorvoer van aardappels uit Amerika verboden. Desondanks werd in 1876 in Bremen een coloradokever aangetroffen op een zak Amerikaanse maïs. Een jaar later dook er een op in Rotterdam, meegereisd in een kist Amerikaanse uien. Uit voorzorg liet de regering de kist met inhoud verbranden. Het ministerie van Binnenlandse Zaken stelde een gedetailleerd signalement op en liet dit in den lande verspreiden. Het opsporingsbevel werd met een oproep afgesloten die de paniekstemming treffend verwoordt: ,,Indien gij deze geduchten vijand van den aardappeloogst, in welke gedaante ook, ontmoet, doodt hem onmiddellijk.''

In 1877 deden zich de eerste grote concentraties coloradokever in Europa voor. Niet, zoals te verwachten was, in de buurt van havensteden, maar in Saksen en in het Rijnland. Nog voordat deskundigen een onderzoek hadden ingesteld, namen plaatselijke autoriteiten rigoureuze maatregelen. Een oppervlakte van twee hectare werd met hooi, stro en spaanders bedekt, met petroleum begoten en daarna in brand gestoken.

Doordat er doortastend werd opgetreden, kreeg de coloradokever in de negentiende eeuw geen vaste voet in Europa. Pas na de Eerste Wereldoorlog begon de kever aan zijn opmars in Europa. Bij Bordeaux werd in 1922 een besmetting geconstateerd, die vermoedelijk al enkele jaren voortwoekerde. De kever had zich over een oppervlakte van 25.000 hectare verbreid. In theorie was het mogelijk geweest ook hier het insect geheel uit te roeien. De bestrijding gebeurde echter met de Franse slag.

Vanuit Frankrijk verspreidde de coloradokever zich over het vasteland van Europa en diende zich in 1937 ook in Nederland aan. Nu bleek de kever een blijvertje. Daarom werden boeren vanaf 1947 wettelijk verplicht de coloradokever te bestrijden. Gedreven door de precaire situatie in de voedselvoorziening en de grote betekenis van de aardappelexport, trok men onder leiding van de Plantenziektekundige Dienst in Wageningen ten strijde. Met een als militaire actie geleide campagne (Operatie Tienstreep) werd geprobeerd de coloradokever uit te roeien. Hierbij werd op grote schaal het toenmalige `wondermiddel' DDT gebruikt.

Met chemische middelen en nieuwe aardappelrassen heeft men de coloradokever tenslotte eronder gekregen. Maar de angst voor de coloradokever bestaat ook nog in 2002. De boer die de kever niet bestrijdt, krijgt een boete van E 110.

H.K. Roessingh, De coloradokever, in: Spiegel Historiael (1971).