Vertrouwen in economie en kabinet hand in hand

Het consumentenvertrouwen, de feel good-factor van het Nederlandse publiek, zakt drie weken voor de verkiezingen in. Dat had voorheen vaak nare electorale gevolgen voor het zittende kabinet.

Vorig jaar rond deze tijd werd een aparte term verzonnen voor de schaarbeweging die toen in de westerse economie aan de gang was: de duale economie. Terwijl de industrie in zak en as zat, en de maatstaven voor het producentenvertrouwen – als voorloper van de industriële productie – kelderden, bleef het consumentenvertrouwen opvallend goed op peil.

Een jaar later, aan de vooravond van wat wordt gezien als een langzaam herstel van de wereldeconomie, zijn er opnieuw tekenen van een duale economie. Alleen is de schaarbeweging nu andersom. Terwijl in de industrie de stemming oploopt, laten consumenten het de laatste maanden afweten. Zeker ook in Nederland.

Gisteren kwam het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) met het nieuws dat de index van het consumentenvertrouwen in Nederland deze maand is gedaald tot een waarde van -14. Afgezien van een korte dip vlak na de aanslagen in de VS op 11 september, is dat de laagste waarde sinds begin 1994. Destijds herstelde het vertrouwen nog van een zeer diep dal rond de conjunctuurdip van 1992.

Mocht er een feel good-factor onder het Nederlandse publiek te meten zijn, dan is het consumentenvertrouwen een goede kandidaat – al was het maar omdat er geen andere langjarige consistente stemmingspeilingen zijn. Niet verrassend is dan ook dat het consumentenvertrouwen doorgaans een goede indicator is voor de stemming van de kiezer. De index van het consumentenvertrouwen is een saldo van negatieve antwoorden en positieve antwoorden van consumenten op vragen over de economie, de eigen financiële situatie en het voornemen aankopen te doen.

Zittende coalities winnen niet vaak. Maar áls ze de afgelopen 25 jaar wonnen of stabiel bleven, dan was het consumentenvertrouwen neutraal of positief. Het kabinet-Den Uyl wist in 1997 als coalitie electorale winst te boeken. Het consumentenvertrouwen was destijds -1, en daarmee het hoogste sinds oktober 1973. Het kabinet-Lubbers-I bleef in bij de verkiezingen in 1986 stabiel in zetels, bij een positief consumentenvertrouwen van 13. En Kok-I, dat in 1998 als geheel 5 zetels won, deed dat bij een consumentenvertrouwen van plus 11.

Andersom gaat het verband ook op, maar niet altijd. Grote uitzondering is het verlies van het voortijdig gesneuvelde Lubbers-II in 1989, bij een positief consumentenvertrouwen. Daartegenover staan de verliezen van het kabinet-Van Agt-I in 1981, en van Van Agt-III in 1982, bij een buitengewoon laag consumentenvertrouwen. Lubbers-III, met Wim Kok als vice-premier, verloor hevig in 1994, toen het vertrouwen nog niet was hersteld van de conjunctuurdip van 1992. Ook de komende verkiezingen van 5 mei lijken in het patroon te passen. In de jongste peiling van Interview-NSS verliest de coalitie van VVD, PvdA en D66 29 zetels. Dat verwachte verlies valt samen met een sterk dalend consumentenvertrouwen.

Hoe sterk het verband is tussen het consumentenvertrouwen en de houding ten opzichte van het zittende kabinet is lastig vast te stellen. De gemeenschappelijke oorzaak is eerder de toestand van de economie zelf, de werkloosheid of de koopkrachtontwikkeling, waarvan het consumentenvertrouwen de neerslag is. Wat het consumentenvertrouwen wel waardevol maakt, is dat het ontwikkelingen meet die vaak pas maanden later in de officiële statistieken worden gepubliceerd.

Tegelijkertijd is het consumentenvertrouwen ook traag. Vaak, als de economie al lang aan de herstellende hand is, is de consument die mening nog lang niet toegedaan. De werkgelegenheid reageert bijvoorbeeld met vertraging op de schommelingen van de conjunctuur. Op dit moment zijn bedrijven dan wel positiever aan het worden over de vooruitzichten, maar piekert de consument nog over de naweeën van de conjunctuurdip.

Dat misverstand kan tot teleurstellingen leiden bij de zittende regering. Het bekendste voorbeeld van de traagheid van het vertrouwen stamt uit 1992. Toen was de Amerikaanse economie al aan het herstellen van de toenmalige recessie, maar in november van dat jaar wist de zittende president Bush er nog niet van te profiteren. En wat was de leus waarmee uitdager Bill Clinton de verkiezingen destijds won? It's the economy, stupid!