Oorlogsverslag uit de huiskamer

Eddo Rosenthal, de correspondent voor het Journaal, had gisteren drie onschuldige Israëlische militaire reservisten gevonden die in het Palestijnse vluchtelingenkamp Jenin waren geweest. Keurige jongens, fris gedoucht, gekamd, pasgewassen kleren. Eén was zelfs accountant. Zij mochten terug thuis voor een kleurige welkomstruiker bloemen tegen hem klagen over de propaganda die internationaal over Israël werd verspreid. Zelf hadden ze niets onoorbaars gedaan of gezien, zeiden ze. Ze hadden netjes aangeklopt, desnoods de deur opgeblazen als de bewoners te bang waren om open te doen, de bewoners in een kamer bijeengezet om het huis te doorzoeken, eventueel arrestaties verricht en dan weer vertrokken. Tussendoor zag je beelden van de keurige soldaten die met wijde camouflagebaretten op en met geweer in aanslag langs Palestijnse deuren gingen. Met de complimenten van het Israëlische leger?

De mannen waren woedend op hun commandant omdat ze het kamp in moesten zonder beschietingen vooraf. Geen methode Afghanistan dus. Daarom waren 23 Israëlische militairen gesneuveld. Je zou van Rosenthal de vraag verwachten wat die Apache-helikopter dan boven Jenin had gedaan. Waren die raketten filmtrucage? En die tanks? Hij had hen met al die beelden van verrotte lijken tussen platgewalste puinhopen kunnen confronteren die we hier zien. Maar nee, Rosenthal vroeg bezorgd of hun optreden nou had geholpen tegen de Palestijnse terreur. Niet definitief, vonden de soldaten. Ze zouden na drie maanden weer terug moeten.

Een absurd gesprek, dat in de lucht bleef hangen tussen al die overweldigende beelden van lijken en getuigenverklaringen uit Jenin, ook in veel Journaal-uitzendingen zelf, van Wouter Kurpershoek en Peter ter Velde. Maar Rosenthal maakt zijn handen niet vuil. Hij gaat op reportage in de Israëlische huiskamer.

Het is moeilijk om je als correspondent onpartijdig op te stellen nadat bekenden zijn gestorven en links en rechts van je bussen en cafés door georganiseerde Palestijnse zelfmoordterreur zijn ontploft. Daarom heb ik des te meer waardering voor Nova-correspondente Ankie Rechess die vrouwmoedig met de cameraman naar de puinhopen van Jenin toog om de lijken en de gruwelijke getuigenverklaringen van Palestijnen te registreren. Een oude man vertelde hoe hij een executie had overleefd omdat hij onder het bloed van zijn gestorven zoon tussen een stapel lijken was blijven liggen. Propaganda? Zo'n verklaring heb ik ook gezien van een overlevende uit Srebrenica.

Rob Trip had een satellietgesprek met de Britse forensische patholoog Derrick Pounder die daar voor Amnesty International onderzoek had verricht en zijn ingehouden verontwaardiging door zijn scherp sissende s'en een beetje blootgaf. Hij sprak over de sstench van de lijken en de tanks crusshing bodiess beneath the rubble. Het weren van pers, Rode Kruis en waarnemers door het Israëlische leger interpreteerde hij als schuldbesef. De enormiteit van zo'n slachting komt druppelsgewijs naar buiten, zeker omdat onderzoekers en waarnemers lange tijd niet zijn toegelaten. Pounder had ook lijken gezien van vrouwen en huisvaders met gezinsfoto's.

Nova is al langer bezig met het in kaart brengen van de slachting en executies, net als bij Srebrenica indertijd, waar het ook voorop liep. Vorige week een Nederlandse waarnemer, die geëmotioneerd zei dat het Israëlische leger minstens zo erg was als de moordende milities in Oost-Timor waar hij indertijd ook was geweest. Internationaal juriste Heikelien Verrijn Stuart somde eerdere slachtpartijen van Sharon op. Zijn tanks hebben al vijftig jaar geleden huizen met bewoners en al geplet. Maar hij kan niet worden vervolgd omdat Israël geen partij is in het verdrag voor het Internationale Gerechtshof.

Gisteren de hamerslag voor een veroordeling van Israël door de VN-commissie voor mensenrechten in New York. Die commissie veroordeelt Israël altijd en andere landen nauwelijks, maar dat neemt niet weg dat het ook wel eens terecht is. Daar moet een onafhankelijk Israël-correspondent onderscheid in maken.