Het vrije broederschap

Een verpleegkundige op een ambulance moet veel meer zelfstandige beslissingen nemen dan een collega in het ziekenhuis. Maar die extra verantwoordelijkheid wordt niet betaald. Een dag uit het leven van een ambulancebroeder.

Maandagochtend tien uur, de telefoon rinkelt hard in de koffiekamer van de ambulancepost van het Witte Kruis in Den Haag. Een oudere man heeft verlammingsverschijnselen in zijn gezicht, zo luidt de melding. Verpleegkundige Jaap van der Eijk (42) gaat er met de chauffeur, Tom Engels, met spoed naartoe. De man zit verdwaasd op de bank, hij kan niet meer praten. Hij heeft een herseninfarct gehad, vermoedt Van der Eijk. Hij meet de bloeddruk, geeft medicatie en maakt de patiënt klaar voor de rit naar het ziekenhuis, waar een hersenscan kan worden gemaakt. Omdat de scan in het Leijenburgziekenhuis al een paar dagen kapot is, wordt de man naar het veel verder gelegen Westeindeziekenhuis gebracht.

Van der Eijk vindt zijn baan als ambulanceverpleegkundige ,,heerlijk''. Hij hecht aan de vrijheid, de zelfstandigheid, aan het zelf nemen van beslissingen. Na de mavo doorliep hij de opleiding tot ziekenverzorger. Vervolgens ging hij de verpleging in en volgde hij de specialisaties hartbewaking en ambulanceverpleegkunde. Als ambulancebroeder mag hij dingen doen die een `gewone' verpleegkundige niet doet – een voorlopige diagnose stellen, een patiënt beademen, zelfstandig medicijnen geven.

,,Maar daar word je niet naar betaald'', zegt Van der Eijk. Zijn vriendin, die als gespecialiseerd verpleegkundige in een ziekenhuis werkt, verdient meer. Het basisloon van Van der Eijk bedraagt een kleine 2.300 euro bruto, de onregelmatigheidstoeslag komt daar bovenop. Dat is minder dan wat zijn collega's van de GGD krijgen, die in dienst zijn bij de gemeente. Voor een verpleegkundige met tien dienstjaren bedraagt het verschil 313 euro bruto per maand, voor een chauffeur met tien dienstjaren 383 euro. Bovendien hebben de GGD'ers een betere pensioenregeling, meer toeslagen en mogen ze eerder uittreden. Hoewel het beroep bij verpleegkundigen erg populair is, bestaat er bij het Witte Kruis sinds oktober een vacature. De sollicitanten haakten af wegens het salaris.

Op dit moment zijn er onderhandelingen gaande over de verschillende CAO's voor ambulancepersoneel. De werknemers van private ambulancebedrijven, zoals het Witte Kruis, willen dat in deze onderhandelingsronde de salarissen in één keer volledig worden gelijkgetrokken. Dat zou moeten gebeuren voordat in januari volgend jaar alle ambulancebedrijven in de omgeving nauw moeten gaan samenwerken onder één koepel, de Regionale Ambulance Voorziening. De CAO-onderhandelingen zijn het gesprek van de dag in de koffiekamer van het Witte Kruis. Het actiecomité is al acties aan het voorbereiden, voor het geval er op 15 mei aanstaande geen aanvaardbaar voorstel ligt. Van der Eijk is niet actief in het comité, maar sympathiseert wel.

Hoe leuk hij het werk ook vindt, fysiek en psychisch is het zwaar, vindt hij: ,,Je moet veel tillen en vaak onder heel zware druk je werk doen.'' Het zwaarst vindt hij het als jonge mensen ernstig gewond raken bij een verkeersongeval. ,,Daar wil je alles aan doen. Soms lukt dat niet en gaat iemand dood. Dan realiseer je je dat je een patiënt hebt verloren. Dat moet je verwerken.'' Het komt voor, vertelt Van der Eijk, dat hij contact heeft met een patiënt die levensgevaarlijk gewond is. Dan zegt hij tegen de gewonde dat de situatie ernstig is, dat hij niet weet of de patiënt het redt. Tien minuten later kan zo iemand dood zijn. Van der Eijk: ,,Dat doet pijn, dat is hard.''

Hetzelfde geldt voor fouten, een verkeerde inschatting van de conditie van de patiënt. De verpleegkundigen doen vaak navraag naar `hun' patiënten in het ziekenhuis, om te weten hoe het iemand is vergaan, maar ook om hun eigen diagnose te toetsen. Soms komt het voor dat die diagnose niet klopte, dat een patiënt daardoor onnodig pijn heeft geleden of langer in het ziekenhuis moest verblijven. Van der Eijk: ,,Dat is dan knap klote. Dan vraag ik me af: waarom heb ik dat niet gezien?''

Gemiddeld rijden de ambulancebroeders zo'n vijf à zes ritten per dag, afhankelijk van de drukte. Overdag zijn er behalve de spoedoproepen ook de patiënten die van het ziekenhuis naar huis worden vervoerd, of naar een ander ziekenhuis. 's Avonds en 's nachts zijn er alleen de spoedritten. De ambulance moet dan binnen 15 minuten ter plekke zijn.

Dat geldt ook nu rond het middaguur de telefoon weer rinkelt. Een vrouw heeft brandwonden opgelopen doordat ze met wasbenzine in de weer was bij open vuur. Van der Eijk gaat er met de chauffeur op af, met loeiende sirenes. Een collega-verpleegkundige op de motor volgt, evenals de politie. In de flat stinkt het naar de benzine. De vloerbedekking in de keuken is verbrand, in de woning ligt her en der afval. De vrouw zit halfbloot, met een verschroeid gezicht en een verbrande buik op een stoel, de handen geheven door de pijn. Van der Eijk begint haar meteen te verbinden, geeft haar zuurstof en pijnstillende medicijnen. Als de toestand van de vrouw stabiel is, dragen de mannen haar op een brancard de trap af, de auto in. In het ziekenhuis staan de hulptroepen klaar.