Eerste ronde telde voornamelijk verliezers

De Fransen zijn graag anders en houden ervan de wereld te verrassen. Ditmaal hebben ze zichzelf overtroffen – door in één van Europa's vooraanstaande landen extreem-rechts tot de op één na grootste politieke macht te maken. Hoewel de opiniepeilingen wezen op een hoge vlucht van Jean-Marie Le Pen en een duidelijke afkalving van de steun voor Lionel Jospin, zouden maar weinigen de uitkomst van zondag hebben durven voorspellen.

Als ze de risico's hadden ingezien, zouden velen vast anders hebben gestemd of niet weg zijn gebleven. De eerste ronde in de presidentsverkiezing zou weinig meer zijn dan een schijnoorlog, een noodzakelijk proces om de namen van de twee finalisten in de tweede ronde te bevestigen: Jacques Chirac, de centrum-rechtse president, en Lionel Jospin, de socialistische premier.

Het is eenvoudiger om te meten wat er is gebeurd dan om er de maatschappelijke en culturele betekenis van te bepalen. Er is in de persoon van Le Pen één duidelijke winnaar; maar zelfs van de mensen die op hem hebben gestemd, wil het overgrote merendeel niet dat hij president wordt. Hun stem was veeleer een radicaal protest ten teken van hun diepe onvrede met de twee politici die de laatste vijf jaar de macht hebben gedeeld. Le Pen was bij wijze van spreken de absolute tegenstander. Tot op grote hoogte stemden mensen juist op hem omdat ze meenden dat hij toch geen kans had om te winnen.

Er zijn daarentegen veel verliezers, uiteraard met Jospin voorop. De premier is een fatsoenlijk en eerlijk man, een eerzaam politicus. Maar met zijn saaie campagne bleek hij de Al Gore van de Franse politiek te zijn. Zoals Gore onderuit ging door de aanwezigheid van Ralph Nader, zo wist Jospin zich geen raad met de versplintering van zijn eigen kamp. Het verdeelde links bedierf de kansen van links. Jospins nederlaag betekent geen zege voor de traditionele conservatieve partijen. De Pyrrusoverwinning van Chirac wijst niet bepaald op geestdriftige steun voor zijn persoon. Hij zal in de tweede ronde met de grootste marge aller tijden als president worden herkozen, maar hij zal van alle leiders onder de Vijfde Republiek misschien wel de minste legitimiteit bezitten. Door de ondergang van Jospin wordt hij staatshoofd bij gebrek aan tegenstand.

Behalve het traditionele links en rechts zijn de echte verliezers het Franse politieke bestel, het democratische model en de hele gevestigde orde, om maar te zwijgen van de Europese Unie. De zeer lage opkomst van extreem-links én extreem-rechts tekent de huidige crisis ten volle.

Door thuis te blijven of radicale denkbeelden te steunen, wilden de kiezers een motie van wantrouwen tegen de Franse politieke klasse uitspreken. Gewone Franse gezinnen ergeren zich aan een staat die hen niet naar behoren beschermt tegen groeiende misdaad, maar wel te veel belasting int. De kiezers willen worden beschermd, niet geplunderd. Ze storen zich aan de merkbare onverschilligheid en afstandelijkheid van een zelfgenoegzame gevestigde orde die geen antwoord lijkt te hebben op hun onvrede en angsten.

De verwachting was misschien dat het gif van de cohabitation en de stank van schandalen zouden leiden tot een roep om een ethische revolutie of politieke vernieuwing. Het algemene cynisme heeft daarentegen tot gevolg gehad dat het onaanvaardbare is geaccepteerd, en extreem-rechts min of meer is genormaliseerd.

In zo'n omgeving is het niet schokkend meer om op het Front National te stemmen. Het is waar dat Le Pen zijn toon heeft verzacht en minder openlijk xenofoob en racistisch is dan voorheen. Maar zijn succes schuilt in de Franse desoriëntatie: wat geldt als politiek correct en ethisch verantwoord als het dagelijks leven onzeker is, de mondialisering onderstreept dat je land kwetsbaar is en je ook jezelf moeizaam staande houdt, en als de Europese Unie wordt gezien als hét symbool van je verlies van soevereiniteit en identiteit? Vier maanden na de geslaagde invoering van de euro blijkt Frankrijk veel onzekerder van zichzelf te zijn dan zijn burgers en buren wel beseften.

De uitkomst van de eerste verkiezingsronde van afgelopen zondag is ongetwijfeld een politieke aardbeving. Maar we mogen geen verkeerde conclusies trekken uit iets wat zal voortleven als een ernstige waarschuwing voor Frankrijk, het democratische bestel en Europa in het algemeen. Frankrijk is geen racistisch en xenofoob land geworden. Er dreigt geen fascisme. Dat soort taal is onzinnig.

Over enkele weken zal Chirac in het Elysée terugkeren. Terwijl de kiezers zich opmaken voor de parlementsverkiezingen – het is nog te vroeg om de uitkomst daarvan te voorspellen, al kan een voortgezette cohabitation niet helemaal worden uitgesloten – zullen de meeste Fransen het multi-etnische karakter roemen van de enige verworvenheid waar ze echt trots op zijn: het nationale voetbalelftal, dat voor de tweede keer wereldkampioen probeert te worden.

Niettemin zal 21 april misschien een nuttig signaal blijken voor een land dat zich veel bescheidener dient op te stellen in zijn oordeel over anderen, en de noodkreet van zijn burgers ernstiger moet nemen. Het antwoord is gelegen in een mengeling van kracht, gestrengheid en ruimhartigheid. De wet moet voor alle burgers gelden, ook voor de jeugdige delinquenten die amok maken in de buitenwijken van de grote steden en meer en meer ook op het platteland. Zij zullen moeten leren dat integratie niet alleen overheersing en onderwerping inhoudt, maar ook respect, openheid en ruimhartigheid.

Maar er zijn tegenwoordig weinig problemen die alleen een nationale oplossing hebben. Het antwoord op de Franse malaise schuilt in een grotere integratie in Europa, geen verminderde. In de komende weken en maanden zal het land een gevaarlijk pad betreden. Verder geweld is niet uit te sluiten. 1 mei, met betogingen van links en extreem-rechts, zal een breekpunt worden. Maar afgezien daarvan blijft de verdenking bestaan dat Frankrijk misschien wel niet meer zo'n verdraagzaam oord is als voorheen.

Dominique Moïsi is verbonden aan het Institut Français des Relations Internationales in Parijs.