VN opereren in Noord-Irak in mijnenveld

De Koerden in Noord-Irak zijn ontevreden over de VN. De organisatie houdt te veel rekening met de autoriteiten in Bagdad.

Het was een winterdag en Ali had hout nodig. Dus ging hij op zoek in de bergen bij Panjwin, een grensstad tussen Irak en Iran. Opeens hoorde hij een zware knal. Toen hij weer wakker werd, miste hij een been. ,,En ik ben niet de enige'', vertelt hij in zijn huis in een buitenwijk van Panjwin. ,,Hier liggen overal mijnen.''

Panjwin is niet de enige stad in Noord-Irak met mijnen. Tijdens de achtjarige oorlog met Iran (1980-1988) werd het hele grensgebied volgelegd met explosieven. ,,Alleen al binnen mijn clan zijn er zestig mensen ledematen kwijt'', vertelt de leider van een clan in het gebied. Nu de oorlog voorbij is, zouden de mijnen geruimd kunnen worden, bijvoorbeeld door de VN-organisatie UNOPS, die een groot budget voor Irak heeft. ,,Maar dat gebeurt niet'', vertelt een medewerker van de niet-gouvernementele organisatie MAG, de enige die wel ruimt in het gebied. ,,De Verenigde Naties zijn voor hun functioneren afhankelijk van de autoriteiten in Bagdad. En die zien de grens als strategisch gebied. Dus mag er niet geruimd worden.''

`Bagdad wil het niet'. Dat zinnetje wordt vaak gehoord in het gebied in Noord-Irak dat sinds de Golfoorlog door de Koerden wordt bestuurd. Omdat de internationale gemeenschap zo sterk aan de territoriale integriteit van Irak vasthoudt (en dat in elke resolutie van de Veiligheidsraad over Irak opnieuw vastlegt), heeft Bagdad een grote vinger in de Noord-Iraakse pap.

Zo bepaalt Bagdad in hoge mate hoe de gelden uit het zogeheten olie-voor-voedsel programma (dat halverwege de jaren negentig werd ingesteld om de gevolgen van de sancties voor de Iraakse bevolking te verzachten) worden besteed. Mede daarom zien veel Koerden in het gebied de VN al lang niet meer als een onafhankelijke bestuurder die het belang van het gebied voorop heeft staan. ,,De meeste VN-functionarissen die hier werken, zijn Arabieren omdat Bagdad alleen hun een visum geeft'', zegt een hoge KDP-ambtenaar in Arbil. ,,Zij zijn vóór Bagdad en tegen ons.'' Veel functionarissen in Koerdistan kunnen uitgebreid vertellen tot hoever die tegenwerking van Bagdad gaat. ,,Iemand wilde in een tijdschrift van de Unesco een verhaal schrijven over de volkscultuur van hier'' , zegt een ambtenaar van de PUK-regering in Sulaymaniyah. ,,Zelfs dat mocht niet.''

Maar de tegenwerking van Bagdad (waar de VN zich veelal bij neerleggen) is niet het enige wat de verhouding tussen de Koerden en de VN vertroebelt. Misschien dat het grondprobleem zelfs elders ligt en wel in de manier waarop beide partijen het olie-voor-voedsel programma interpreteren. Voor de Koerden heeft `olie-voor-voedsel' tot doel om het gebied op lange termijn duurzaam te ontwikkelen. Voor de VN is het programma vooral een politiek project, waarvan de regels iedere zes maanden opnieuw worden vastgelegd. Dat verschil in uitgangspunt leidt iedere keer weer tot felle debatten. ,,Wij willen in elk dorp een school om zo de toekomst van het platteland veilig te stellen'', aldus Nasrin Sidik, de minister voor Wederopbouw van de KDP-regering. ,,De VN zien het programma als tijdelijk en willen in veel dorpen niet eens werken, bijvoorbeeld met het argument dat het daar onveilig is door activiteiten van de Koerdische Arbeiderspartij (PKK). De VN delen het liefste voedsel uit, maar wij willen het platteland zelf weer voedsel laten produceren omdat wij het heft in eigen handen willen nemen en onze mensen niet afhankelijk willen laten worden.''

Medewerkers van niet-gouvernementele organisaties in Noord-Irak willen graag vertellen wat voor gevolgen de beperkingen op het werk van de VN hebben. Een aantal donoren (waaronder Nederland) constateert immers dat er onder het olie-voor-voedsel programma miljarden dollars in het gebied worden gepompt en overweegt daarom zich terug kunnen trekken. Maar als zij zich terugtrekken, betekent dit dat werk dat de VN niet kunnen doen, helemaal niet meer gedaan kan worden omdat alle andere internationale hulpverleners zich dan terug moeten trekken. Zo is onduidelijk hoe lang MAG, de enige organisatie die bij Panjwin mijnen ruimt omdat de VN dat niet mogen, nog verder kan. ,,En MAG is zeker niet de enige'', zegt de medewerker van die organisatie.

Niemand betwist overigens dat er onder het olie-voor-voedsel programma in Noord-Irak wel degelijk grote resultaten zijn geboekt. Zo is het duidelijk dat de inname van calorieën per persoon in Koerdistan sinds het programma in 1996 begon, sterk is gestegen. En in Koerdistan staat inmiddels een woud van blauwe borden bij projecten die met behulp van de VN worden uitgevoerd.

Niettemin overheerst inmiddels bij veel Koerdische functionarissen de frustratie. Overleg is er bij de VN niet bij, zeggen zij. ,,De VN vergeten hoe uniek het olie-voor-voedsel programma is'', aldus minister Sidik. ,, Zij zien het als een traditioneel donorprogramma [dat gebaseerd is op giften, red.] maar in feite bekostigt het programma zichzelf [namelijk door de verkoop van Iraakse olie, red.].'' ,,Het is ons geld'', zegt een hoge ambtenaar, ,,maar zij bepalen hoe het wordt uitgegeven.''

De plaatselijke bevolking gaat al een stap verder. Zij heeft de VN al ingedeeld bij de lange rij hoofdrolspelers uit de Koerdische geschiedenis die dachten dat zij er niet waren voor Koerdistan, maar Koerdistan voor hen.

Arbil wilde graag een nieuw ziekenhuis, maar mede onder druk van Bagdad stemden de VN alleen in met een renovatie van het oude gebouw. En dus staat er nu, een flink aantal jaren en dollars verder, een onhandelbaar gebouw zonder airconditioning, ook al wordt het 's zomers zo'n veertig graden. ,,Iedereen is tevreden'', zegt een inwoner van Arbil cynisch. ,,Behalve wij.''