Naïeve ambities

Geheel zonder regie naar de Balkan, maar het Catshuis uit met tenminste de schijn zelf ergens aan een touwtje te hebben getrokken. Het vertrek van Wim Kok is sindsdien geprezen als `indrukwekkend', en verketterd als vrijblijvend of, zoals Frits Bolkestein het noemde, `vaandelvlucht'. Maar het was toch vooral een bitter en somber getoonzet afscheid, passend bij het onderwerp dat tot de val van zijn kabinet leidde. Kok zei het besluit te hebben genomen onafhankelijk van het `zijlicht' Pronk. Daar leek het niet veel op, eerlijk gezegd, maar wat maakt het uit? De treurig-stoere opmerking dat hij ,,iedereen recht in de ogen kan kijken'' kan ook worden opgevat als een teken dat Kok de nederlaag inderdaad direct voelde aankomen.

Iedereen heeft zijn eigen Srebrenica, merkte Peter Michielsen vrijdag op in zijn bespreking van het NIOD-rapport in deze krant. Dat is zeker waar, en in veel commentaren wordt de episode nu vooral gezien als het failliet van een linkse, of in elk geval moralistische, Gesinnungs-politiek, een politiek die intenties plaatst boven resultaten en die, bedwelmd door de eigen goede bedoelingen, de boosaardigheid van de wereld uit het oog verliest. Jan Pronk, het heftigst rollende kanon op het dek van Paars II, belichaamt voor velen die stuurloze hang naar wereldwijd engagement, die voor de tv-camera's met een beroep op de eigen emoties aan de man wordt gebracht.

Pronk heeft het daar ook naar gemaakt, met zijn solistische optredens in de media, die altijd wel een warm plekje voor hem hadden. Zijn persoonlijke, emotionele worsteling sloot immers naadloos aan bij de morele tonen waarmee de media de oorlogshandelingen in Bosnië begeleidden. Achter de bijna wellustige onheilsboodschap `en nog steeds wordt er niet ingegrepen', die telkens werd uitgezonden na het eertijdse actualiteitenprogramma Hier en Nu, bleef niet veel geduld over om te kijken naar de minder schematische kanten van het conflict op de Balkan, naar de complicaties van Europese interventie, en de gevaren van een halfbakken militaire inzet.

Maar is dat het hele verhaal?

Srebrenica betekent niet alleen maar het failliet van een politiek van goede bedoelingen. Zoals het NIOD-rapport vaststelt was het immers ,,een mengeling van humanitaire bewogenheid en politieke ambitie'' die Nederland ertoe bracht ,,op eigen initiatief en zonder voorwaarden'' een luchtmobiel bataljon ter beschikking te stellen voor VN-inzet in Bosnië. Wat Nederland naar de Balkan dreef was dus niet alleen maar het rozige wereldbeeld van de Novib-kalender, maar ook de behoefte om in internationaal verband mee te tellen, en een grote broek te dragen. Lubbers en zijn minister van Buitenlandse Zaken Van den Broek hadden in de geopolitieke bedrijfstak van de humanitaire interventie een arena gevonden waar ze na de Koude Oorlog een moderne Nederlandse krijgsmacht konden inzetten, en waar ze bovendien hun onderlinge competentiestrijd over het primaat in de buitenlandse politiek konden uitvechten.

Het was ook niet voor niets Hans van den Broek, en niet de zelfkweller Pronk, die na de presentatie van het loodzware NIOD-rapport ferm volhield ,,geen spijt te hebben van de compassie'' die hem bij het besluit tot deelname aan de interventie in Bosnië had gemotiveerd. Maar waarom eigenlijk niet? Op zichzelf mag medelijden (ja, het klinkt wat kleiner dan `compassie', maar betekent toch hetzelfde) een deugd zijn, maar is het dat nog steeds als het gepaard gaat met zulke catastrofale fouten, of (kleiner gezegd) `tekortkomingen'?

Nederland was destijds in de internationale constellatie helemaal niet zozeer een `gidsland', dat pejoratief waarmee nu een wereldvreemd idealisme wordt aangeduid, het was eerder een `volgland'. Regering en parlement wilden de Europese grote mogendheden volgen in hun rol als ordehandhavers en beschermers van de burgerbevolking op de Balkan. En zoals het NIOD-rapport duidelijk maakt, deden de Europees georiënteerde en doorgaans zo zakelijke bewindslieden van het laatste kabinet-Lubbers dat allemaal zonder te vragen naar de praktische haalbaarheid – toch ook een gevleugeld woord in die nuchtere jaren. Ook in de Kamer was de aandrang om mee te doen op de Balkan breed en diep tegelijk, van GroenLinks tot CDA, en ook daar speelden internationaal-politieke motieven evenzeer een rol als morele. Dat blijkt ook wel uit de woorden van toenmalig CDA-fractievoorzitter Jaap de Hoop Scheffer, die Pronk in juli 1995 kapittelde toen hij na de val van de enclave het woord `genocide' in de mond nam: dat was menselijk begrijpelijk, aldus De Hoop Scheffer (zeker voor een suggestibele softie als Pronk, denk je dan) maar politiek onverstandig. Waaróm, vraag je je achteraf af? Om de Europese bondgenoten niet voor het blok te zetten?

Naast de zendingsdrang die nu in allerlei toonaarden wordt aangeklaagd, speelde, met andere woorden, ook de ambitie een rol om binnen Europa en de VN voor een volwaardige `speler' te worden aangezien. Kinderlijk moralisme en de hang naar de harde grotemannenwereld, ze gingen hand in hand: zou dát niet de ware fuik zijn waar politiek Den Haag destijds in liep? De weg naar de hel is niet alléén maar geplaveid met goede bedoelingen: ook ondoordachte ambitie levert bruikbare straatbedekking op die route.

Zo hebben de aanjagers van een op emoties gebaseerde humanitarisme en van het streven naar een internationaal-politieke rol voor Nederland onderweg naar Srebrenica elkaars blinde vlekken versterkt. Misschien waren de voorvechters van uitzending ter linkerzijde van het politieke spectrum zich nog wel bewust van de boosaardigheid van de Serviërs, maar dan nog vergaten ze dat Nederland juist daarom geen militairen mocht uitzenden als ziekenbroeders. En de partijen ter rechterzijde hadden misschien meer voeling met de aarzelingen van de legertop en de nu vaak aangehaalde Lord Owen, maar in hun gretigheid om niet achter te blijven, vergaten zij dat ook bondgenoten boosaardige trekjes kunnen hebben, en dat Nederland als de nood aan de man kwam zijn eigen boontjes zou moeten doppen. Beide perspectieven leden aan realiteitsverlies. Een herhaling is pas te voorkomen door niet alleen `naïef idealisme' af te zweren, maar ook de partner in crime, naïeve ambitie.