Kok keek naar Kok

Dat ging snel. Eerst was er, voor iemand het helemaal had kunnen lezen, alom bewondering en lof voor het 3.400 pagina's tellende NIOD-rapport. Anderhalve week later plaatsen vele historici en andere deskundigen er zulke kritische kanttekeningen bij dat de roep om het aftreden van NIOD-directeur prof. Blom al haast lijkt te klinken.

Zes dagen na de publicatie van het rapport treedt het tweede kabinet-Kok af. Het krijgt daarvoor binnen en buiten de Tweede Kamer complimenten die van links tot rechts variëren tussen ,,moedig'' en ,,indrukwekkend''. Weer een paar dagen na deze letterlijk unieke stap van het kabinet begint ook dit beeld te kantelen. Relativerende observaties komen op papier als ,,het kabinet had tot de verkiezingen nog maar vier weken te gaan dus materieel maakt dat voortijdig aftreden niet zóveel uit, en Paars was toch al uitgeregeerd''. En kritische observaties: die Kok, al dan niet van harte gevolgd door zijn ministersploeg, heeft misschien allerlei submotieven buiten het Srebrenica-dossier en het NIOD-rapport gehad om af te treden. Misschien, zo kort voor de verkiezingen, zelfs electorale motieven, je weet het met politici immers maar nooit.

Nu, dat klopt natuurlijk, je weet het maar nooit, dat is net als met leraren, makelaars, voetbaltrainers, artsen, paardenfokkers en journalisten. Wat je je daarbij in het geval van het kabinet kunt afvragen, is wèl of een op zichzelf politiek zuiver (bedoeld) gebaar, namelijk aftreden, géén electoraal gunstige gevolgen mag hebben, zeg voor de coalitiepartijen. Dat is alsof je zegt: doe nu even niets zuivers meer, want dat waarderen kiezers wellicht en – jakkes, pas op – dan heb je er ook nog (electoraal) profijt van.

Was het aftreden van het tweede kabinet-Kok zowel ondoordacht als politiek-opportunistisch, zoals Mark Kranenburg zaterdag in een prikkelend stuk op deze pagina schreef? Kan zoiets trouwens, zit er in politiek opportunisme doorgaans niet net iets te veel berekening om ook nog van ondoordacht handelen te kunnen spreken? Meer nog: bij elk van die twee mogelijke opties valt een verhaal te houden, maar moeilijk één verhaal bij alle twee tegelijk.

Kranenburg werpt in zijn artikel de vraag op of Kok een jaar geleden, toen zijn tweede kabinet en de paarse coalitie nog sterk stonden, ook zou zijn afgetreden indien het NIOD destijds al met zijn rapport was gekomen. Hij beantwoordt die vraag, die uiteraard zeer iffy is, ontkennend. Dat mag, maar zo'n antwoord kan niet anders dan speculatief zijn. En bovendien houdt het geen rekening met de reële mogelijkheid dat Kok, vice-premier in het kabinet dat in 1993 besloot Dutchbat uit te zenden en premier ten tijde van de val van Srebrenica in juli 1995, werkelijk van mening was dat hij moest vertrekken. Namelijk omdat het NIOD-rapport hem, gelet op zijn achtereenvolgende rollen en hun bijbehorende verantwoordelijkheden, geen andere keus meer liet.

Dat de andere ministers hem nu daarin volgden, ook al deden zij zelf in 1993 en 1995 iets heel anders, misschien zelfs buiten de politiek, spreekt vanzelf. Net zoals in dit geval vanzelfsprekend was dat zij inhoudelijk geen afstand konden nemen van de minister-president in hún ontslagaanvraag. Dat kon niet op staatsrechtelijke gronden, zij konden slecht zeggen: de verantwoordelijkheden van de premier zijn de onze niet. Dat konden zij evenmin op politieke gronden, want elke coalitiepartij heeft in het tweede kabinet-Kok bewindslieden die al in 1993 of 1995 meeregeerden.

Zeker, er zijn in elke concrete situatie altijd begeleidende omstandigheden die meewegen om het ene of andere besluit te nemen. Maar doorslaggevend of bepalend voor de kwaliteit van de gemaakte keuze móeten zulke omstandigheden niet zijn. Mocht het NIOD zo'n twee jaar geleden met zijn rapport gekomen zijn, en mocht er destijds voor Kok bijvoorbeeld in Brussel een mooie baan zijn geweest, was zijn eventuele aftreden dan beïnvloed door het perspectief van zo'n mooie baan? En, zo ja, zou dat zijn aftreden dan minder zuiver hebben gemaakt? Of, anders gezegd, wordt de zuiverheid van het aftreden bepaald door de kwaliteit van het offer, dus door het persoonlijk lijden dat ermee gepaard gaat? Calvijn in het staatsrecht? Nee toch?

Kok, de man van acht jaar Torentjesoverleg, heeft op de valreep en zonder een debat met de Kamer af te wachten, als een soort superdualist dus, zijn besluit tot aftreden genomen (lees: meegedeeld) in de beslotenheid van de ministerraad. Het zou tegenover de kiezers fraaier zijn geweest als zo'n besluit na een openbaar debat in de Tweede Kamer zou zijn genomen. Maar hij wilde geen debat meer, hij wilde in eigen beheer, zonder tussenkomst van Pronk, De Grave of de Kamer, de laatste daad stellen in een langlopende zaak, die net op tijd aan snee kwam.

In 1994 werd Kok na enige aarzeling premier van een kabinet dat als paars experiment begon, maar spoedig stevig in de schoenen stond. Zijn architect Van Mierlo zat als vice-premier en chef van D66 op Buitenlandse Zaken. Zomer 1995 kwam de val van Srebrenica. Kok, die er zin in had gekregen, bemoedigde Voorhoeve aan te blijven en dacht daarbij stellig mede aan de positie van Van Mierlo en een mooie paarse toekomst. Met steun van de coalitiefracties werd een parlementaire enquête afgewimpeld en in plaats daarvan uiteindelijk een opdracht aan het NIOD verstrekt. Die opdracht had ook politieke ijskastwaarde voor Paars, al werd dat natuurlijk ontkend. Zo gezien zag de oude premier Kok twee weken geleden in de conclusies van het NIOD-rapport de jonge premier Kok van toen terug. En deed wat hij destijds in het belang van zijn florerende Paars niet wilde: hij nam verantwoordelijkheid voor alle fouten sinds 1993, liet zijn hele kabinet aftreden en sloot een cirkel. Hij keek niet vooruit, naar 15 mei 2002. Maar vooral achterom: naar het dossier-Kok.