Poldermodel

Nu het politieke fundament onder het poldermodel is weggevallen, wordt het tijd iets over de herkomst van dit woord recht te zetten. Met poldermodel is iets vreemds aan de hand. Pas eind 1996 dook het voor het eerst in de kranten op. Het leek uit het niets te komen, maar in no time was het ongekend populair (in 1996 kwam het slechts driemaal in de kranten voor, het jaar erna al ruim 800 keer).

Waar was poldermodel vandaan gekomen? Wie had het verzonnen? In 1999 schreef H.J.A. Hofland hierover in deze krant: ,,Dit woord, blijkt onomstotelijk, is ter wereld gekomen op 1 december 1995, op een symposium ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de Stichting van de Arbeid.'' Ook de maker zou bekend zijn: Evert Rongen.

Hofland baseerde zich op het jaarverslag 1997 van het VNO/NCW. En inderdaad, daarin staat: ,,Evert Rongen, oud-directeur van DSM-Limburg, introduceerde tijdens een symposium ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de Stichting van de Arbeid [...] in 1995 de metafoor van het `poldermodel'. `Ik ben een polderlander', zei hij ter afsluiting van een bespiegeling over het bestuur van de Hollandse en Zeeuwse polders in vroeger eeuwen. Rongen was op zijn beurt geïnspireerd door de historicus Simon Schama, die een standaardwerk over de Gouden Eeuw heeft geschreven.''

Schama als inspirator voor Rongen als bedenker van poldermodel, oké, zo staat het er, maar klopt dit ook? Nee, dus. Of laat ik voorzichtig zijn: zeker is dat het woord al véél eerder was gebruikt door Ina Brouwer van de CPN. In het tijdschrift Politiek en cultuur schreef Brouwer in maart 1990 – zes jaar voordat poldermodel doorbrak in de kranten – een artikel getiteld `Het socialisme als poldermodel?' Hierin schrijft zij: ,,Gedecentraliseerd bestuur en coöperatieve vormen zijn vanouds vaste bestanddelen van het Nederlands bestel. Zelfs zodanig dat de Russische perestrojka-aanhangers belangstelling tonen voor het Nederlandse model, met name in de landbouw. Het socialisme als poldermodel dus?''

Zo'n vroege vindplaats, zoals taalkundigen dat noemen, roept verschillende vragen op. In de eerste plaats moet je je afvragen of poldermodel bij Brouwer dezelfde betekenis heeft als bij Rongen, maar dat is duidelijk het geval. Een andere vraag is of Brouwer hiermee kan worden aangewezen als de bedenkster van een van de succesvolste neologismen van de afgelopen decennia. Ze presenteert het woord nogal onnadrukkelijk, alsof het ook toen al een tijdje meeging.

Dus gebeld met Brouwer, die nu bij Sociale Zaken werkt. Ze moest even flink in haar geheugen spitten, maar nee, ze wist toch wel zeker dat ze het niet uit een of ander stuk had opgepikt. ,,Het kan zijn'', aldus Brouwer, ,,dat het indertijd in politieke discussies werd gebruikt, maar dat weet ik niet meer.''

In tweede instantie weet ze toch wel vrij zeker dat ze het zelf heeft verzonnen, en ook weer waarom, namelijk omdat consensus en overleggen van oudsher kenmerkend zijn voor de Nederlandse democratie. ,,Waterschappen'', aldus Brouwer, ,,zijn de oudste vorm van democratie. Je kon wel alleen je eigen polder willen drooghouden, maar het werkte pas als je buurman ook meedeed.''

Goed, stel dat Ina Brouwer inderdaad moet worden aangewezen als de bedenkster van poldermodel, waarom duurde het dan tot 1996 voordat het doorbrak? Je kunt ook vragen, waarom dook een woord dat Rongen op 1 december 1995 lanceerde pas een jaar later voor het eerst in de kranten op?

Ik vermoed dat dit komt doordat poldermodel meer vaders en moeders heeft. Ik denk dat het verschillende keren is `uitgevonden'. En dat het eind 1996 definitief doorbrak heeft te maken met minister Hans Wijers. Die presenteerde op 9 december 1996 een `deltaplan' voor de Nederlandse economie. Hij zei: ,,Wij willen geen poldermodel waarin niveaus laag blijven, maar een delta-model waarin we door aanpassing de weg omhoog vinden.'' Het was de zoveelste polderlancering, maar de succesvolste.

Reacties naar de Achterpagina of naar sanders@nrc.nl. Voor een samenvatting hiervan zie op vrijdag www.nrc.nl