Omdat ook ik Nederlander ben

Van tijd tot tijd gaat het gesprek erover, of de discussie in de kranten – over onze Nederlandse cultuur. Wat die voorstelt. Of die iets voorstelt. Of je je `Nederlander' voelt. Bij rondvragen in gezelschappen blijkt dat nogal eens zeer uiteen te lopen. Sommigen voelen zich Europeaan. Anderen hebben eigenlijk helemaal geen specifiek gevoel daarover, of ze voelen zich ook erg verwant met de Franse of de Engelse cultuur, anderen voelen zich alleen al omdat ze nu eenmaal Nederlands spreken uiteraard Nederlander. Het is nog niet zo makkelijk om bij jezelf na te gaan hoe je je in dat opzicht voelt. Het lijkt wel vaak of andere volkeren daar minder moeite mee hebben. Dat het doodgewoon is om als Fransman trots te zijn op Frankrijk, dat je daar niet snel tegen iemand aan zal lopen die als je vraagt: ,, Voelt u zich Frans'' heel erg begint te aarzelen en zegt ,,Frans, wat is dat eigenlijk?''

Ik houd van de Nederlandse taal en van wat daarin geschreven is, van de uitdrukkingsmogelijkheden en de nuances van die taal. Ik weet zeker dat niemand die Nederlandstalig is in een andere taal zoveel mogelijkheden heeft tot subtiliteit en vernieuwing, zowel passief als actief en daarom lijkt het me onzin om je niet Nederlands te voelen. Maar daarmee houdt het tegelijkertijd ook al weer aardig op, dat gevoel. Net als alle andere Nederlandse snobs wil ik in het buitenland liever geen landgenoten tegenkomen en identificeer ik me helemaal niet met een heleboel `typisch Nederlandse' gewoontes en gedragingen.

Onlangs was hier in Nederland een groepje Bosnische vrouwen op bezoek. Ze kregen allerlei rondleidingen en legden visites af en op de televisie zag je hoe ze over de gedenkplaats in het voormalige kamp Westerbork liepen. Iemand had tegen ze gesproken over de houding van de Nederlanders in de Tweede Wereldoorlog. Dat er hier verhoudingsgewijs erg weinig joden zijn gered en erg veel zijn weggevoerd. De overeenkomst was duidelijk. En één van de vrouwen verzuchtte: ,,Heeft dit volk dan niets geleerd?''

Die verzuchting was ook wel begrijpelijk. Maar toch hoorde ik mezelf denken: ,,Mens, kijk naar je eigen volk.'' Beledigd. Als Nederlander.

Toen destijds de ramp in Srebrenica zich voltrok, heb ik met afschuw maar de hossende Dutchbatters gekeken. Al heel kort daarna kon je interviews zien en lezen met mensen die voor Dutchbat werkten en die hadden gesmeekt bij de leiding, bij de gewone soldaten, om iets te doen voor hun familieleden, om die een pasje te geven, op een lijst te zetten, mee te nemen. Maar er kon niets. Andere VN-bataljons zouden dat destijds wél gedaan hebben, die hebben wél mensen gered, werd gezegd. Het deed inderdaad onweerstaanbaar denken aan de keurige ambtenaren die tijdens de Duitse bezetting weigerden hun mooie administratie te vernielen, aan de politiemacht die braaf gehoorzaamde aan de nieuwe machthebbers, aan heel dat rechtlijnige, angstige, burgermannetjesambtenarengedoe dat ook als `typisch Nederlands' geldt. Dat typisch Nederlandse waarvan je je verbeeldt er geen deel aan te hebben.

Net als veel anderen was ik kwaad op degenen die niets gedaan hadden, op de bibberende minister in de bunker die alleen maar aan `onze jongens' kon denken, op de starre legerleiding met hun regeltjesdrift, op generaal Couzy met zijn gezwollen praatjes en op de muis Karremans, die na een ontmoeting met Mladic wat in de champagne piepte over een `groot veldheer'. Bah. Wat een laf zootje.

Dat waren verrukkelijk gemakkelijke oordelen daar, voor de televisie. Er was veel, ja heel veel mis in Nederland. Weg met de legertop! Ontslag voor incompetente politici!

Nu, zo eindeloos veel jaren later, waarin Nederland niets heeft gedaan voor de Bosnische weduwen, zoonloze moeders, broerloze zusters, vaderloze kinderen, valt ineens een kabinet. Vond ik eerst ook niks. Aanstelleritis. Gratis effect. Was zeven jaar geleden gevallen. Maar wat ik nu merk, voor het eerst, is dat ik me ben gaan schamen. Niet voor dit theater, maar voor de mislukking in Bosnië destijds. Dat ik niet langer denk: `zij', de verantwoordelijken, maar `wij', de Nederlanders. Nu Kok c.s. het boetekleed hebben aangetrokken en, met enig theater, dat wel, tegenover ons en de wereld hebben gezegd: `Nederland heeft dat toen niet goed gedaan', nu denk ik ook: wij hebben dat niet goed gedaan. Niet alleen de minister niet en de legerleiding niet en veel Dutchbatters ook niet echt – wij niet. Het is mijn schuld niet noch mijn verantwoordelijkheid, maar het heeft weinig zin om tegen zo'n Bosnische vrouw te zeggen: ik kon er niets aan doen. Ik ben anders. Wat kan haar dat schelen? En bovendien, misschien ben ik wel helemaal niet anders. Net zo'n aarzelaar, net zo'n moraalridder op afstand, net zo'n held op sokken. Kok zei dat hij contact wilde zoeken met de Bosnische vrouwen. Daar ben je dan mooi laat mee! gilde mijn ik-ben-zo-niet-helft alweer. Maar de andere helft, de Nederlandse, die zich schaamt, die denkt nu: beter laat dan nooit.

Wij zijn niet de moordenaars, noch hun handlangers. We zijn wel de bange omstanders die niets hebben gedaan, ook niet iets kleins, die geen mensen hebben gered, ook niet een enkeling. Of wij dan niets hebben geleerd, vroeg die Bosnische vrouw. Nee. Zoals gebruikelijk. Van de geschiedenis wordt buitengewoon weinig opgestoken.