Gros van pers simplificeerde oorlog op Balkan

De Nederlandse media schiepen begin jaren '90 een politiek-publicitair klimaat waarin op lichtvaardige wijze werd besloten tot uitzending van militairen naar Oost-Bosnië, concludeert het Srebrenica-rapport van het NIOD. Die aanklacht is gerechtvaardigd, meent Raymond van den Boogaard.

Het NIOD-rapport over `Srebrenica' bevat een aanklacht aan het adres van de Nederlandse media. Zij hebben er mede voor gezorgd, stelt het NIOD, dat in '93 en '94 een `politiek-publicitair' klimaat ontstond waarin het parlement op lichtvaardige wijze Nederlandse militairen uitzond op een onmogelijke opdracht naar Oost-Bosnië.

Toen de in veilige Hollandse binnenkamers uitgedachte ethische politiek in Srebrenica niet uitvoerbaar leek, en in 1995 zelfs in haar tegendeel verkeerde, waren het niet de bedenkers met de goede bedoelingen die het boetekleed aantrokken, maar kregen de uitvoerende militairen de schuld.

Die aanklacht tegen de Nederlandse pers is gerechtvaardigd. Het is in een pluriform land wel moeilijk om over `de pers' of `de media' te spreken. Maar het is onmiskenbaar dat zich van de Nederlandse media na '93 een vrijwel perfecte consensus over de oorlogen in ex-Joegoslavië meester maakte, ook wanneer er – zoals in deze krant – ruimte was voor discussie.

De consensus kwam er kort gezegd op neer, dat de oorlogen primair een Servische verantwoordelijkheid waren, en zich vooral kenmerkten door systematische etnische zuiveringen tegen niet-Serviërs. En dat – wat ook de concrete gegevens te velde waren – het westen, in casu Nederland, een morele plicht had om, ook met militaire middelen, in te grijpen in het verloop van de strijd.

Tegen ethische politiek hoeft in een democratie geen bezwaar te bestaan. Niemand is gehouden zich bij het bestaande neer te leggen. De bezwaren tegen een ethische politiek en haar pleitbezorgers ontstaan pas, wanneer sprake is van een bewust en hardnekkig ontkennen van de werkelijkheid.

Wat journalisten betreft, raakt dat aan één van hun kerntaken: dat primair de werkelijkheid moet worden beschreven en vervolgens een onderscheid gemaakt tussen die werkelijkheid en de eigen verlangens. Dat is ten aanzien van de oorlogen in Joegoslavië te weinig gebeurd. Men heeft een buitengewoon gecompliceerd conflict te vaak willen terugbrengen tot een vergaarbak van aanwijzingen voor eigen gelijk of morele voortreffelijkheid.

De ethici in de Nederlandse journalistiek over Joegoslavië kregen de overhand in de loop van '93. Het was geen exclusief Nederlands verschijnsel: ook in Frankrijk en Groot-Brittannië zag je in de pers steeds vaker drastische analyses verschijnen over het gebeuren op de Balkan, uitmondend in de vaststelling dat men ,,het niet meer aan kon zien'' en het westen moest ingrijpen.

De ethische analyse kenmerkte zich meestal door hemeltergend reductionisme. Journalisten uit Nederland, een nog etnisch homogene staat waar men slechts minderheden kent, wisten haarfijn wat de oplossing was voor Bosnië-Herzegovina, waar de bevolking in drie ruwweg even grote groepen uiteenvalt: vredig samenleven. Voor de geschiedenis van Oost-Bosnië bijvoorbeeld, waar inter-etnisch geweld bijna endemisch mag heten, was weinig belangstelling.

De summiere analyse luidde verder dat de lopende oorlog de schuld was van de Serviërs, meer in het bijzonder Miloševic, die al voor de oorlog in het westen een slechte pers had. Deze analyse werd ruimschoots gevoed door het gegeven dat de Servische oorlogspartij over het algemeen de meest toegankelijke was, zowel in zijn optreden als in het formuleren van zijn motieven. Andere oorlogspartijen, zoals de Kroatische HDZ en de moslim-SDA, droegen meer een gesloten, conspiratief, karakter en onttrokken hun wandaden beter aan journalistieke waarnemingen. Mede op grond daarvan werden zij geacht minder schuldig, of onschuldig te zijn.

Dit alles had gevolgen voor de manier waarop het optreden van VN-troepen in heel ex-Joegoslavië werd gezien: wanneer zij assisteerden bij de vlucht van bevolking voor Servisch optreden, heette dat medeplichtigheid aan `etnische zuiveringen'. Wanneer echter een oorlogspartij de bevolking verhinderde te vluchten of zelfs probeerde uit publicitaire overwegingen Servisch vuur op die bevolking uit te lokken – zoals dat in Srebrenica en elders gebeurde – werd dat als niet betekenisvol terzijde geschoven.

Wat de ethische richting in de journalistiek in haar argumentatie vaak deed, was een beetje shoppen in de propaganda van sommige oorlogspartijen. Dat Kroaten en moslims zich verdedigden tegen een Servische `agressor' bijvoorbeeld, was een veelgehoorde opmerking. Ook kon men lezen dat het feit dat de moslim-partij de meeste slachtoffers kende, en het minst bewapend was, haar gelijk in de oorlog aantoonde.

De Servische bevolking werd in het conflict een recht op weerstand door de ethici ontzegd. Dat de Bosnische Serviërs in meerderheid niet voelden voor een zelfstandig Bosnië-Herzegovina waarin Kroatische of moslim-politici de dienst uitmaakten, gaf hun optreden geen legitimiteit. Dat het Kroatische leger in 1995 honderdduizenden Serviërs uit Kroatië verdreef – de grootste etnische zuivering uit de hele oorlog – leidde van ethische zijde niet tot noemenswaardig protest.

Veel kritiek was er op het westerse vredesplan Vance-Owen voor Bosnië-Herzegovina, uit 1993. Dat plan beoogde van het land een complex mozaïek te maken, waarbij de macht per district langs etnische lijnen zou worden verdeeld, aan de hand van de bevolkingssamenstelling. De oorlogspartijen voelden er weinig voor: die beoogden juist de instelling van nieuwe centralistische staten. En bovendien meenden ze dat er in voortzetting van de strijd, al of niet met directe buitenlandse interventie, nog heel wat te bereiken was en het moment voor vrede dus nog niet gekomen was.

De ethici in de Nederlandse journalistiek waren er als de kippen bij het propagandistische argument van de moslim-partij, dat het plan Vance-Owen de `agressor' beloonde, over te nemen. Deze episode belicht daarmee nog een ander akelig effect van de kracht van de ethische richting in Nederland en andere landen: zij hield bij sommige oorlogspartijen de hoop op buitenlandse interventie in hun voordeel levendig, en leidde op die manier tot verlenging van de oorlog.

Dat meer zakelijk ingestelde verslaggevers in Joegoslavië, die er steeds geweest zijn en onder wie schrijver dezes zichzelf rekent, zo weinig invloed hebben gehad op de journalistieke- en politieke meningsvorming in Nederland, laat zich begrijpen. Van hun boodschap dat het een héél ingewikkeld conflict betrof, waar voor buitenstanders weinig eer te halen viel en dat zich moeilijk liet oplossen, ging nu eenmaal weinig wervende kracht uit. De ethici daarentegen hadden een mooi gevoel in de aanbieding: de eerste oorlog in Europa sinds 1945 kon worden opgelost, en daarbij ook nog de Rechtvaardigheid gediend. Als het westen maar durfde.

De praatjes voor de vaak waaruit de consensus in de Nederlandse politiek en journalistiek medio jaren negentig vaak bestond, leven nog voort. Zij zijn bespeurbaar in veel verslaggeving over het proces tegen Miloševic in Den Haag, waarbij overigens als excuus kan gelden dat zowel de aanklager als de verdachte een voorliefde voor politieke sprookjes aan de dag leggen. Verder is de consensus op de terugtocht, ook al omdat het laatste bedrijf in ex-Joegoslavië, de oorlog in Macedonië, zich niet in het gevestigde stramien laat verklaren en beschrijven.

Hoewel zelfkritiek niet tot de in het oog lopende journalistieke deugden behoort, is er alle reden voor Nederlandse journalisten om hun behandeling van Joegoslavië nog eens tegen het licht te houden. Het vervangen van feiten door fabeltjes is de pers van een hoogontwikkelde democratie als de onze onwaardig. We mogen van geluk spreken dat er de afgelopen jaren geen sprake is geweest van een oorlogsdreiging die Nederland direct betrof. Aan welke platte propaganda zou de Nederlandse pers dan wel niet ten prooi zijn gevallen?

Raymond van den Boogaard was van 1991 tot 1994 verslaggever van deze krant in voormalig-Joegoslavië.