Bij Robin de Raaff valt alles op zijn plaats

Nieuwe composities van Bowman, Hamburg, De Raaff en Wagemans staan centraal in de serie `Muziek van Onze Tijd' bij het Residentie Orkest. Vrijdag was het de beurt aan Robin de Raaff (1968) die bijdroeg met een fascinerend doorwrocht Concerto for Orchestra (1999-2002).

De Raaff werd gecombineerd met geheel verschillend geaarde werken van Tan Dun en John Adams. Cho-Lian vertolkte opvallend soepel en zelfverzekerd het hoogst elegante Eerste vioolconcert van Dun dat zich voltrekt vanuit en weer terugkeert in de stijl van de Peking Opera. Voor het overige heerst er een wat geöliede lyriek in post-Bartók-stijl. Ook wringt het in Adams' Harmonielehre, dat fors zwaaiend en maaiend werd neergezet door een enthousiaste Kristjan Järvi. Adams gaat uit van een strikt mechanische minimal music, maar voert daar in romantische gebaren allerlei buitenmuzikale gedachtes en visioenen aan toe. De minimal music is op zichzelf heel sierlijk, de toevoegingen werken potsierlijk.

Bij De Raaff valt alles op zijn plaats. Hij blijft zichzelf als structuralist en liefhebber van expressionistische klankexploraties, waarbij extreem lage instrumenten de toon zetten en net als bij Varèse onheilspellend ijle hoge glinsteringen de uiterste contouren vormen.

De behandeling in homogene instrumentengroepen verwijst vaag weg naar Bartóks Danza delle coppie (Dans der paren) uit het Concert voor orkest. Maar bij De Raaff valt er weinig te dansen en gaat het ook niet om paren maar om trio`s. Zo zijn er drie fluiten, drie hobo's, drie klarinetten, enzovoorts. Curieus is de opstelling van de tuba's, met daarnaast de harpen: één zit links, één rechts tussen de houtblazers terwijl de hoogste tuba achter het hout heeft plaats genomen. De drie fagotten nemen het voortouw, dissonerend aanzwellend om fortissimo te vergruizelen in piccolo's en harpen.

Het middendeel – overbodig te zeggen dat er drie delen zijn, elk driedelig onderverdeeld – is weer voor de fagotten, zoals ook het spetterend reperterend slotdeel met fagotten opent. Maar spetterend wil niet zeggen virtuoos in ontspannen zin, want daartoe heerst er een teveel aan expressionistische kramp in schurend werkende rusten – gemakzuchtig is De Raaff wel allerminst! Dat wringende samenklanken in een bars blatend koperkoraal uiteindelijk een oplossing vinden in een `mooie' grote terts lijkt mij een zwaktebod. Dat verwacht je eerder bij Tan Dun of John Adams.

Het orkest had een hele klus aan de overdaad aan suizelende en verbrijzelende klankmassa's maar benutte wel degelijk de spaarzame momenten van een dromerig soort lyriek, zoals in de fluiten en hobo's in de maten 93-103. Toevallig getallen met een drie erin?

Concert: Residentie Orkest o.l.v. Kristjan Järvi. Werken van De Raaff, Dun en Adams. Gehoord: 19/4 Anton Philipszaal, Den Haag. Radio 4: n.t.b.