Zoeken naar de Koninklijke weg

Het aandeel Koninklijke Olie bleef sterk achter bij die van andere oliemaatschappijen. De inhaalslag is, sinds het overnamebod op Enterprise Oil, inmiddels ingezet.

Verwarring rondom Koninklijke Olie deze week. De Britse minister van Financiën Gordon Brown kondigde donderdagochtend een belastingverhoging aan. Onderdeel van het plan: een heffing van tien procent op de winning van olie en gas.

De Koninklijke/Shell Groep, waarin Koninklijke Olie houdstermaatschappij is, reageerde kortstondig verrast. Er staat een bod uit op het Britse olie-exploratiebedrijf Enterprise Oil, dat op 30 april in principe kan sluiten. Omdat Shell liet weten de consequenties van de Britse heffing te willen onderzoeken, kwam de geruchtenmachine op de beurs al snel op gang en rees daar de mogelijkheid dat het olieconcern zich onder de overname uit zou willen draaien. Enterprise zou, zo berekenden analisten, er al snel 50 miljoen euro per jaar bij in kunnen schieten als gevolg van de nieuwe heffing. Dat maakt de overname minder aantrekkelijk – en veel analisten vonden die, met 6,9 miljard euro, aanvankelijk toch al aan de dure kant.

Niets bleek minder waar. Shell maakte aan het eind van de dag juist bekend nog eens negen procent in Enterprise te hebben gekocht en zijn aandeel inmiddels al te hebben opgevoerd tot 29 procent. Wat het olieconcern betreft gaat de overname dus gewoon door. En dat lijkt, los van de vraag hoe duur Enterprise nu precies is, strategisch geen slechte keuze.

Eén van de grote kritiekpunten van analisten op de Koninklijke is namelijk het ontbreken van een `grote slag'. Waar vrijwel alle concurrenten de afgelopen jaren fuseerden of een grote overname deden, wist Shell lang geen aansprekende acquisitie te doen. Beleggers concentreren zich vooral op de vooruitzichten voor de productie van olie en gas op de lange termijn.

Wie veel olie- en gasreserves heeft, kan langer mee. Exxon ging samen met Mobil, Chevron met Texaco, en BP, de meest directe concurrent voor Shell, sloot een verbond met Amoco. Shell probeerde het wel, maar zag de geplande overnames van het energiebedrijf Woodside in Australië en het Amerikaanse gasbedrijf Barrett mislukken.

Shell moest in september een `productiewaarschuwing' geven waarna beleggers het aandeel keihard lieten vallen. Het nieuws dat het bedrijf de doelstelling van een productiegroei van olie en gas van 5 naar 3 procent moest brengen, schokte de markt. De aandelen hebben het sindsdien structureel slechter gedaan dan die van Exxon, 's werelds grootste oliebedrijf, en BP, de Britse concurent waarmee Shell vecht om de plek achter de Amerikanen.

En dus vecht Shell zich terug. Sinds Phillip Watts medio 2001 het roer overnam kocht hij de Amerikaanse tankstations van Texaco, waardoor Shell de grootste uitbater van benzinepompen aldaar werd, en ook smeeroliefabrikant Pennzoil in de VS werd gekocht. In Duitsland was Shell even de grootste pomphouder na de acquisitie van de DEA-pompstations, maar BP schoot de concurrent voorbij.

De acquisities waren echter niet genoeg reden om het gat met Exxon en BP te dichten. Een reden is dat de overnames zich op de eindproductie concentreren terwijl Shell juist in de exploratie- en productiesfeer uitbreiding behoeft. Met de overname van het Britse Enterprise lijkt `De Koninklijke' iets aan dit probleem te doen. Olieproducent Enterprise zal de dagproductie van Shell met 6 procent doen stijgen via de velden in de Noordzee en de Golf van Mexico.

Sinds de aankondiging van de overname doet het aandeel Koninklijke het, in euro's gemeten, beter dan BP en Exxon en loopt het de schade van september enigzins in.

Voor de grote instituten op de beurs, zoals pensioenfondsen, zal het zaak worden uit te maken op welke oliemaatschappij zij hun geld nu zetten. Shell was bij velen van hen wat uit de gratie, en het kan een tijdje duren voor zij bijdraaien. Ten opzichte van de totale beurs doen oliemaatschappijen het totnutoe goed. De AEX-index verloor sinds 1 januari 2001 bijvoorbeeld 17 procent, het aandeel Koninklijke maar 7 procent.

De verdere prestaties hangen, naast het beleid van Shell zelf, uiteraard af van de olieprijs. Niet alleen is die van grote invloed op de koers van oliemaatschappijen zelf, maar een hoge prijs van olie drukt volgens de zakenbank Salomon Smith Barney ook de koersen van overige bedrijven. Dat dure olie automatisch een inflatieschok teweeg brengt, betwijfelen de analisten van Salomon. In de moderne economie wordt het bedrijven door de toegenomen concurrentie veel minder toegestaan hun hogere kosten één op één door te berekenen in hun prijzen. De schok zal dus voor een deel moeten worden opgevangen door hun winstmarges, die naar beneden gaan.

Zo winnen oliemaatschappijen dus dubbel op veel andere aandelen als de olieprijs stijgt. Maar die `als' geeft al weer hoe onzeker het zou zijn om vol op de oliesector in te zetten. Een belegger die dat doet verplaatst enkel zijn probleem: van de onvoorspelbare aandelenmarkt naar de al even onvoorspelbare prijsontwikkeling van olie.