Wor es dápokoinou?

`Moet je niet huilen als je me zo ziet lopen?' vraagt buurman die traag voorbijschuifelt met zijn hondje aan de lijn. Hij is het jongetje dat nooit meer uit je geheugen verdwijnt als je eenmaal de foto gezien hebt, het jongetje dat in Bergen Belsen alleen loopt op een weg waarlangs opgestapelde lijken in de berm liggen. Het is een van de eerste foto's die na de bevrijding door de Amerikanen in de kampen gemaakt zijn. Zijn ogen kijken ongelovig naar de camera. Hij heeft het overleefd. Die ogen heeft hij nog steeds. Een jaar geleden liep hij nog fier door de buurt, nu is het een tragische schim van zijn vroegere zijn. Hij lijdt aan een slopende ziekte. Zijn vraag maakt me verdrietiger dan de aanblik zelf. Het is de teloorgang van het omhulsel die hem nekt. De geest is nog sterk genoeg, al begint ook die sleets te worden. Buurman spreekt me aan op de dag van het aftreden van het kabinet. Wat is beter, langzaam dood, snel dood? Er zijn 7000 weduwen uit Sebrenica en zeven jaar later komt het oubollig en hypocriet gebaar van aftreden. Ja buurman, ik moet huilen als ik je zie lopen.

Ik ga mijn huis binnen en prijs me gelukkig met het kleine verdriet van alledag, waarmee makkelijker te leven valt. Ik moet tentamens nakijken. Zelf heb ik kort voor mijn doctoraal examen bij mijn laatste schriftelijk tentamen gezworen me nooit meer van mijn leven te onderwerpen aan die vernedering. Daar heb ik me tot nu toe aan gehouden, overigens zonder er moeite voor te hoeven doen, want met een doctoraal in de letteren kom je een heel eind in de maatschappij. Nu neem ik examens en tentamens af, en beklaag de studenten voor wie zakken het grootste verdriet ter wereld kan zijn. Het echte verdriet is hun nog bespaard gebleven. Nakijken van tentamens hoort niet tot mijn favoriete bezigheden. Veertig antwoorden op één vraag lezen is niet inspirerend, vooral niet als het om opsommingen van gegevens gaat. Ik heb de gewoonte tentamens niet per student, maar per vraag na te kijken. `Horizontaal nakijken' noemen we dat. Het heeft het voordeel dat je objectiever naar de juiste gegevens in de antwoorden kijkt en vooral dat toenemende ergernis over slechte formuleringen, onleesbare handschriften en erbarmelijke spelling niet persoonlijk wordt. De wrevel is niet te vermijden, maar het zou niet goed zijn als die zich omzette in individuele afkeer. Nadeel van de horizontale werkwijze is er alleen voor de docent, die al na drie ongeveer gelijkluidende antwoorden het gevoel krijgt dat hij een cd met minimal music op heeft gezet.

Ik moet tentamens nakijken van eerstejaars die ik heb ingeleid in de methoden van de Nederlandse letterkunde. Voordat ik aan het nakijken begin, maak ik de omstandigheden naar vermogen prettig. Ik ruim mijn bureau op, zet sterke koffie, slijp een potlood zo puntig als maar mogelijk. Maar verder helpt niets. Muziek opzetten leidt te veel af. Vandaag is mijn concentratie op een dieptepunt. In plaats van antwoorden zie ik de ogen van mijn buurman. Meer dan anders staat de controle me tegen. De eerste ergernis van tentamens nakijken zijn de handschriften. Lang geleden leerden kinderen op de lagere school een goed schrift, dat was belangrijk. Van mijn negentigjarige reumatische tantes krijg ik brieven in een mooi lopend schuinschrift, de studenten klodderen met lekkende balpennen losse letters op papier.

De tweede grote ergernis van tentamens nakijken is de spelling. Vroeger konden mijn collega's en ik feilloos montessori-leerlingen uit de tentamens trekken: die konden niet spellen. Tegenwoordig is er vrijwel geen enkele leerling meer die kan spellen. Ik heb ooit bij een groep vierdejaars eens een pot op tafel gezet waarin een gulden gestopt moest worden voor elke d/t-fout die er nog gemaakt zou worden. Er is geen gulden in die pot gekomen. Ik ben ervan overtuigd dat diezelfde pot nu vol euro's zou stromen, want mijn studenten weten nu niet eens als ze nadenken de spelregels van de d/t. Ondanks de sterke potloden en de puntige koffie kan ik mijn aandacht niet bij het werk houden.

Vandaag erger ik me ook aan de ledigheid van de woorden. Er zit een vraag in het tentamen over het gedicht Visser van Ma Yuan van Lucebert. In de jaren zestig stond daarover een discussie in het tijdschrift Merlyn. Een visser zweeft tussen water en lucht, en rust: onder wolken vogels varen/ onder golven vliegen vissen/ maar daartussen rust de visser. Dan volgt met een kleine variatie de tweede strofe: golven worden hoge wolken/ wolken worden hoge golven/ maar intussen rust de visser.

De discussie ging erover wat er voor veranderingen zijn tussen de eerste en tweede strofe. De eerste interpretator meende dat er een storm opgestoken was en de visser gestorven was. Misschien zinspeelde Lucebert zelfs op de atoomproeven in de Japanse zee, waarbij golven opgestuwd werden tot hoge golven en vissers verdronken. Onzin, schreef de volgende interpretator, want die atoomproeven hadden nog niet eens plaatsgevonden toen Lucebert zijn gedicht schreef. Het gedicht gaat gewoon over een prent van de Chinese schilder Ma Yuan en het beeldt de eeuwige cirkelgang van de natuur uit. Mijn studenten vatten voor het tentamen de discussie braaf samen: A denkt dat de visser aan het eind van het gedicht dood is. B denkt dat de visser gewoon leeft. Ze gebruiken de woorden bij hun tentamen als lege omhulsels, zonder te denken aan de inhoud waar ze eigenlijk voor staan. En dat is maar goed ook. Woordvormen kunnen los staan van hun betekenis. Wittgenstein heeft dat in de praktijk gebracht. Schrijven over een dode visser maar denken aan een tentamencijfer. Over datgene waarover men niet kan spreken moet men zwijgen, zei hij, omdat de taal toch niets zinvols kan uitdrukken. En toch beoordeel ik die lege taal. Mijn gedachten gaan naar de buurman en het jongetje in Bergen Belsen.

Tot ik de antwoorden op de vraag wat een apokoinouconstructie is ga lezen. Een apokoinou is een ingewikkelde stijlfiguur die Lucebert en Leopold nogal eens gebruiken. Een of meer woorden kunnen grammaticaal zowel bij het vorige als het volgende zinsdeel horen. Een van de studenten wist het niet. Gewoonlijk zijn er dan een paar regels opengelaten op het papier, maar deze jongen had een geheel eigen invulling aan de leegte gegeven, die me uit mijn somberheid haalt: `Apokoinou is een dialect dat enkel en alleen nog wordt gesproken in en rondom het pittoreske Overijsselse plaatsje Rectum. Het is afgeleid van de zin `Wor es dápokoinou?' wat zoiets betekent als `Waar is de apenkooi nou?' Dit zinnetje is tevens de langst bewaard gebleven zin in het Rectums/Apokoinou, vergelijkbaar met het welbekende `Hebban olla vogala'.' Wittgenstein en buurman ten spijt schiet ik in een bevrijdende lach. Wat zou ik deze jongen graag een tien voor die apenkooi gegeven hebben.